Sven volgt sinds drie weken een programmeercursus en legt vrijdag bij het bier aan zijn vrienden uit dat het vak overschat wordt en dat je het in een half jaar onder de knie hebt. Marieke doet hetzelfde werk al tien jaar, geeft leiding aan een team, en op de vraag of ze er verstand van heeft antwoordt ze dat het in één hoek best gaat en dat de rest haar steeds weer ontglipt.
Wie van de twee aan die tafel zekerder klinkt, hoor je na één zin. Voor de verklaring grijpt men tegenwoordig bijna automatisch naar een naam die in een paar jaar gemeengoed werd: het dunning-krugereffect. Tussen wat er onder die naam over sociale media zwerft en wat twee psychologen in 1999 werkelijk maten, ligt echter een flink stuk weg.
Wat er in 1999 werkelijk gemeten werd
Justin Kruger en David Dunning legden studenten aan de Cornell University destijds verschillende opdrachten voor. In de ene beoordeelden ze welke grappen grappig waren, en hun oordeel werd vergeleken met dat van beroepscomedians. In de volgende losten ze logicavraagstukken op uit toelatingstoetsen voor de rechtenstudie. In de derde verbeterden ze grammatica.
Na de test kwam de vraag waar het om ging. Iedereen moest niet inschatten hoeveel punten hij had gehaald, maar hoe hij ervoor stond ten opzichte van de andere deelnemers. Dus hoeveel mensen in de zaal hij naar eigen idee verslagen had.
Het resultaat wordt tot vandaag geciteerd. Deelnemers uit het zwakste kwart plaatsten zichzelf gemiddeld boven de helft van de groep, hoewel ze qua punten bij de slechtsten hoorden. Die uit het beste kwart verkochten zichzelf tekort: ze zetten zichzelf wel hoog, maar lager dan waar ze werkelijk stonden.
De auteurs verklaarden dat met een dubbele vloek. De kennis die je nodig hebt om een opdracht op te lossen, is ongeveer dezelfde die je nodig hebt om te beoordelen of jouw oplossing deugt. Wie haar niet heeft, heeft niets om het gemis mee op te merken. Bij de besten werkte een ander mechanisme: de opdracht kwam hun makkelijk voor, dus namen ze aan dat die voor de anderen ook makkelijk was.
Het laatste deel van dat werk raakt daarbij vergeten. Toen de zwakkere deelnemers een korte training in logica kregen, verbeterde niet alleen hun prestatie, maar ook de schatting van die prestatie. Ze konden zichzelf beter beoordelen omdat ze eindelijk iets hadden om zich aan te meten.
De berg van domheid die niet in de data zit
Het plaatje dat de meeste mensen vandaag bij die naam voor zich zien, ziet er heel anders uit. Op de horizontale as staat de ervaring, op de verticale het zelfvertrouwen. De curve schiet meteen aan het begin omhoog naar een scherpe top die de berg van domheid heet, stort in het dal van de wanhoop en klimt vandaar langzaam naar het bezonnen zelfvertrouwen van de expert.
In het artikel uit 1999 staat zo'n plaatje niet. De oorspronkelijke grafiek heeft op de horizontale as vier prestatiekwarten en twee lijnen: het werkelijke resultaat stijgt steil, terwijl de eigen schatting bijna vlak loopt en zich bij alle groepen een stukje boven het gemiddelde houdt. Geen top, geen val.
Het verschil tussen die twee is inhoudelijk, niet cosmetisch. De internetcurve beweert dat een beginner meer zelfvertrouwen heeft dan een expert. De data zeggen iets veel gewoners: bijna iedereen schat zichzelf een stukje boven het gemiddelde in, alleen ligt die schatting bij de besten het dichtst bij de werkelijkheid.
Daar komt een tweede gebrek bij. Het onderzoek was een momentopname, geen film. Niemand werd erin gevolgd van beginneling naar meester, dus er kan geen curve door de tijd uit voortkomen. De horizontale as van de populaire grafiek meet iets wat het oorspronkelijke onderzoek niet gemeten heeft.
| Wat er meestal gezegd wordt | Wat er in het oorspronkelijke onderzoek staat |
|---|---|
| Het zelfvertrouwen van de beginner is het hoogst van allemaal. | De eigen schatting was in alle vier de kwarten vergelijkbaar, een stukje boven het gemiddelde. |
| Met ervaring zakt het zelfvertrouwen in een dal en komt daarna omhoog. | Er werd één moment gemeten. Niemand werd door de tijd gevolgd en in de data zit geen dal. |
| Experts hebben geen vertrouwen in zichzelf. | Het beste kwart plaatste zich hoog, alleen iets lager dan de punten aangaven. |
| Het geldt voor iedereen die je tegenkomt. | Het ging om groepsgemiddelden. Binnen elk kwart liepen de losse schattingen uiteen. |
| Wie iets niet kan, is blind voor zijn eigen fouten. | Na een korte training verbeterde de schatting van de zwakkere deelnemers. |
Of zit er alleen statistiek achter?
De populaire uitleg laat één ding weg: het beroemde effect heeft van meet af aan serieuze critici, en hun argument is onaangenaam eenvoudig.
Het steunt op regressie naar het gemiddelde. Elke meting bevat een stuk toeval, dus wie helemaal onderaan eindigt, staat daar deels door pech. Vraag je die persoon daarna naar een tweede, onafhankelijke zaak, zijn eigen schatting, dan valt die gemiddeld minder extreem uit. Tel daarbij de bijna universele neiging op om jezelf een stukje boven het gemiddelde te zetten, en dat befaamde plaatje tekent zichzelf, zonder dat iemand blind is voor zichzelf.
Ed Nuhfer liet met medewerkers in 2016 zien dat een vergelijkbaar ogende grafiek ook uit willekeurig gegenereerde getallen te maken is. Gilles Gignac en Marcin Zajenkowski vergeleken in 2020 gemeten verstandelijke vermogens met de manier waarop mensen die zelf inschatten, en komen tot de slotsom dat het grotendeels om een statistisch artefact gaat. Ze stelden andere werkwijzen voor om de hypothese te toetsen.
De andere kant zwijgt niet. Dunning en anderen brengen ertegenin dat het metacognitieve deel op meer data rust dan op één grafiek. Mensen bij wie een vaardigheid ontbreekt, beoordelen ook andermans oplossingen slechter, en de genoemde training verbeterde hun schatting, wat regressie naar het gemiddelde alleen niet verklaart.
De strijd is niet beslecht en deze tekst beslecht hem niet. Hem kennen is wel wat waard. De namen Dunning en Kruger worden in discussies gespeeld als troefkaart waarmee je iedereen die lastig is afserveert, en een troef op een betwiste ondergrond is geen sterke kaart. Nuttiger is te weten wat er van het effect ook bij de critici overeind blijft.
Wat er van het beroemde effect overblijft
Over één ding zijn beide kampen het eens. Het verband tussen hoe goed we ergens in zijn en hoe goed we onszelf vinden bestaat, alleen is het zwak. Zelfbeoordeling is een instrument met een grote spreiding, en er alleen op leunen lijkt op een kamer met stappen opmeten.
Het tweede is nog gewoner. Wie lang in een vak zit, heeft een steeds gedetailleerdere lijst van wat hij niet kan. Dat is geen instorting van het zelfvertrouwen, maar een verbredende horizon. Marieke kan tien dingen opnoemen waarvoor ze tekortschiet, omdat ze ervan weet. Sven kan ze niet opnoemen, niet uit trots, maar omdat hij ze nog niet is tegengekomen.
En dan is er dat mechanisme van de beste deelnemers, dat meer aandacht verdient dan het gewoonlijk krijgt. Wat jou makkelijk afgaat, ziet er in het algemeen makkelijk uit. Wie een tabel in één oogopslag leest of een boze klant met één zin kalmeert, ziet dat meestal niet als een vaardigheid. Hij neemt het voor standaarduitrusting die iedereen toch heeft, en schuift zijn eigen niveau daardoor dichter naar het midden dan waar het hoort.
De keerzijde van dezelfde medaille
Hier ontmoet het beroemde effect een verschijnsel dat op zijn tegenpool lijkt. Wanneer iemand met echte bekwaamheid zijn eigen onzekerheid leest als bewijs van onvermogen, spreken we van het imposter-syndroom. De resultaten liggen op tafel, het innerlijke gevoel is het er niet mee eens. Uitgebreid haalt de tekst over wat het imposter-syndroom is en waar de twijfel vandaan komt het uit elkaar.
Twijfel heeft niet één vorm. Bij de een overheerst het bedriegersgevoel, dus de stille aanname dat de omgeving hem overschat en dat het ooit uitkomt. Een ander wordt geremd door succes wegwuiven: elk goed resultaat wordt binnen een paar seconden verklaard als een kleinigheid waar het eigenlijk niet om ging. En de derde bron is geluk en omstandigheden, waarbij de verdienste voor iets geslaagds naar de timing, het team of een coulante klant gaat.
Dan dient zich een verleidelijke kortsluiting aan, die je op elke tweede conferentie hoort: wie twijfelt kan het waarschijnlijk, en wie zeker van zichzelf is waarschijnlijk niet. Het klinkt mooi in evenwicht en het is dezelfde fout als de oorspronkelijke, alleen omgekeerd. Een gevoel is in geen van beide richtingen een meetlat. Er zijn mensen die weinig zelfvertrouwen hebben en tegelijk het nodige te verbeteren, en het zou vreemd zijn als die er niet waren.
Het verschil tussen gezonde onzekerheid en het bedriegerspatroon zit niet in de kracht van dat gevoel, maar in de verhouding tot bewijs. Onzekerheid voor iets nieuws zakt met de eerste resultaten. Het patroon overschrijft resultaten: goed werk wordt afgedaan met voorbereiding, toeval of een lage lat, waardoor de twijfel de volgende situatie even sterk binnenkomt als daarvoor. Hoe die angst er van binnen uitziet, beschrijft de tekst over waarom je wacht tot ze erachter komen.
Hoe je jezelf ijkt
IJken is het enige praktische antwoord op beide kanten van de medaille. Het gaat er niet om meer of minder in jezelf te geloven, maar om het verschil tussen schatting en werkelijkheid kleiner te maken. En daarvoor werken een paar dingen beter dan nadenken over jezelf.
Het eerste is een criterium in plaats van een gevoel. Schrijf voordat je aan iets begint in één zin op hoe een goed resultaat eruit gaat zien. Na het inleveren vergelijk je het werk met die zin en niet met de bui waarin je toevallig zit. Het lijkt een formaliteit, maar juist deze stap scheidt het beoordelen van de prestatie van het beoordelen van jezelf.
Het tweede hulpmiddel is feedback van iemand die het resultaat ziet. Jij kent je bedoeling, de omgeving ziet de uitkomst, en dat zijn twee verschillende gegevens. De vraag “wat zou jij anders doen” levert meer op dan “was het goed?”, want op die tweede antwoordt bijna iedereen beleefd. En nu eerlijk: wanneer kreeg je voor het laatst feedback die je eigen inschatting werkelijk in beweging bracht?
Het derde is jezelf vergelijken met een concrete vaardigheid en niet met een heel mens. De zin “hij is beter” geeft je niets om mee te werken, terwijl “hij krijgt de stukken sneller klaar omdat hij er een sjabloon voor heeft gemaakt” dat wel doet. Waar vergelijken helpt en waar het alleen het gevoel voedt dat je tekortschiet, haalt de tekst over waarom alle anderen bekwamer lijken uit elkaar.
Wil je weten of je twijfel in een onschuldige zone blijft of je al rust en kansen kost, dan geeft een korte oplichterssyndroomtest een indicatief beeld. Eén eerlijke kanttekening hoort erbij: hij meet de mate van twijfel aan jezelf, niet je vermogens. Of je iets kunt, bepalen je werk en de feedback daaruit, geen vragenlijst.
Probeer bij de volgende grotere klus één kleinigheid. Schrijf voordat je hem inlevert één getal op papier: hoeveel mensen van de tien in jouw vak het volgens jou beter zouden hebben gedaan. Kom na de feedback op dat getal terug en schrijf erbij hoe het afliep. Na drie of vier rondes weet je meer over je eigen ijking dan uit welke grafiek met berg en dal ook.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands
Română