Sanne kreeg haar promotie op een vrijdag. Maandag zat ze in haar eerste overleg in de nieuwe rol, luisterde naar de felicitaties en onder dat alles liep één gedachte door: wanneer komen ze erachter. Wanneer heeft iemand aan die tafel door dat die stoel terecht is gekomen bij een mens die vooral goed staat op de foto.
Het ging niet om bescheidenheid en ook niet om zenuwen. Sanne had vier jaar aan resultaten achter zich die ze binnen twee minuten uit haar mailbox had gevist. Toch zou ze op dat moment gezworen hebben dat de selectiecommissie twee dossiers had verwisseld.
De kloof tussen wat iemand aantoonbaar heeft gedaan en wat diegene vanbinnen over zichzelf denkt, heeft in de psychologie een naam en een tamelijk precieze beschrijving. Alleen worden er nogal eens verschillende dingen doorheen geroerd.
Imposter-syndroom: wat het eigenlijk is
Het begrip is beschreven door de psychologen Pauline Clance en Suzanne Imes in 1978. Zij onderzochten een groep vrouwen met titels, onderscheidingen en een loopbaan, die er desondanks van overtuigd waren dat ze door een vergissing op hun plek waren beland. Sindsdien is gebleken dat het verschijnsel geen geslacht en geen vakgebied heeft. Je komt het bij chirurgen net zo goed tegen als bij programmeurs, leerkrachten of mensen met een eigen zaak.
De naam is een beetje ongelukkig, want het woord syndroom verleidt je om het geheel als diagnose te lezen. Dat is het niet. In de classificaties van psychische stoornissen komt het niet voor, je kunt het niet hebben of niet hebben zoals een griep, en niemand behandelt het. Het is een denkpatroon dat je kunt beschrijven, in mate kunt meten en met wat geduld kunt afleren.
Van gewone onzekerheid scheidt het één ding, en juist dat ene is wezenlijk. De zenuwen voor een eerste presentatie, of het ongemak van de eerste week in een nieuwe baan, lossen op zodra het goed afloopt. Hier lost niets op. Onderweg naar het geheugen wordt een goed resultaat herschreven tot goede voorbereiding, een welwillend publiek of gunstige omstandigheden, zodat het bewijs van je kunnen nergens opgeborgen kan worden.
In de praktijk draait dat eindeloos rond, en Clance had die cirkel al in de jaren tachtig beschreven. Er komt een opdracht, daarmee de spanning, en die spanning zakt alleen door voorbereiding ver voorbij wat nodig is, of juist door alles tot de laatste avond uit te stellen. Uiteindelijk loopt het goed af, er komt een korte opluchting, alleen wordt de verdienste geboekt op het conto van het zwoegen of van een gelukkig toeval. Twee dagen later is de opluchting weg en ligt de lat een stukje hoger.
Daaruit volgt het merkwaardigste van de hele zaak. Succes maakt de twijfel niet kleiner, het voedt hem eerder: elke promotie tilt de verwachtingen op, dus de ruimte voor een toekomstige ontmaskering wordt weer groter. Sanne voelde zich niet slechter ondanks de promotie, maar juist door de promotie.
Drie bronnen waaruit de twijfel komt
De zin “ik hoor hier niet” klinkt als één gedachte. Vraag mensen echter door wat ze er precies mee bedoelen en hij valt uiteen in drie behoorlijk verschillende verhalen. Het ene gaat over de angst om door de mand te vallen, het tweede over prestaties die steeds verdwijnen en het derde over geluk dat een keer opraakt.
| Bron van de twijfel | De zin die door je hoofd loopt | Waaraan je het van buiten herkent |
|---|---|---|
| Bedriegersgevoel | “De anderen overschatten mij. Deze plek hoort bij iemand die meer kan.” | Voorbereiding ver voorbij wat nodig is. Zwijgen in een overleg tot de zekerheid honderd procent is. Vragen die liever niet gesteld worden, zodat ze niet verraden wat je nog niet weet. |
| Succes wegwuiven | “Het stelde niets voor. Dat had iedereen wel gekund.” | Aan elk compliment plakt vanzelf een toevoeging. Van een beoordeling blijft vooral die ene kritische zin hangen. Na elk gehaald doel schuift de lat omhoog. |
| Geluk en omstandigheden | “Ik zat op het juiste moment goed en had geluk met de mensen om me heen.” | Het verhaal over de eigen loopbaan begint met het woord toevallig. Een goede beoordeling leest als coulance. Op het tentamen kwamen naar verluidt precies de vragen langs die je kende. |
De eerste bron zie je nergens zo goed als in een overleg. Iemand aan tafel weet het antwoord, houdt het de hele tijd in zijn hoofd en spreekt het niet uit, omdat hij nog niet helemaal zeker is. Drie minuten later zegt een ander diezelfde gedachte hardop, oogst een rondje instemmend geknik en het onderwerp schuift door. Voor wie zweeg is dat geen bewijs dat hij had moeten praten. Het is bewijs dat de ander zeker van zijn zaak was en dat hijzelf blijkbaar niet op dat niveau zit. Zo wordt van één gemiste seconde weer een steen in de muur gemetseld.
De drie bronnen zijn geen drie verschillende stoornissen en ook geen drie laatjes waar iemand in zijn geheel in past. Het zijn kanten van één patroon en ze hangen samen: wie hoog scoort op de ene heeft de rest meestal ook verhoogd. Het is daarom nuttig om te vragen welke van de drie het hardst praat.
Die dominante bron bepaalt namelijk wat gaat helpen. Sanne trok haar succes niet in twijfel, ze loste het alleen elke keer op in het team, zodat er bij haar nooit iets bleef staan; hoe je van een compliment iets maakt dat langer dan vijf seconden meegaat, haalt de tekst over complimenten ontvangen uit elkaar. Haar collega Joris had een even hoge totaalscore en een compleet ander hoofd: elk goed resultaat verklaarde hij uit de timing en stuurde het daarmee opnieuw weg. Hem past eerder de ontleding van de vraag of achter het laatste resultaat succes of geluk zat.
De verhouding tussen de bronnen ligt bovendien niet voor het leven vast. De situatie verschuift hem: in een vak waarin iemand tien jaar meeloopt meldt zich eerder het wegwuiven, omdat alles op gewoon werk lijkt. Na een overstap naar een onbekende omgeving komt binnen een maand het bedriegersgevoel naar voren. Een uitslag is daarom een foto van de huidige stand, geen beschrijving van iemands karakter.
Het advies “wees trots op wat je hebt bereikt” slaat dus bij de ene bron aan en ketst bij de andere af op het schild. Daarin zit de hele praktische winst van dat onderscheid: algemene aanmoediging werkt slecht, omdat ze niet mikt op de zin die iemand op dat moment werkelijk in zijn hoofd heeft.
Hoeveel mensen het betreft
Het getal dat op internet rondgaat is 70 %. Het komt uit een artikel waarin Sakulku en Alexander in 2011 de bestaande literatuur samenvatten, en het is eerlijk om te zeggen wat dat getal is: een schatting van de auteurs, geen meting op een representatieve steekproef. Door herhaling werd er na verloop van tijd een feit van dat het nooit is geweest.
Een nuchterder beeld geeft het systematische overzicht dat Bravata met haar collega's in 2020 uit 62 studies samenstelde. De gevonden prevalentie loopt daarin van 9 tot 82 %, afhankelijk van wie er is bevraagd en waarmee er is gemeten. Zo'n brede spreiding is geen fout van het onderzoek, maar een gevolg van het feit dat er geen scherpe grens tussen wel en niet hebben bestaat. Het gaat om een mate, en iedereen zit daarmee ergens op een schaal.
Door de studies heen herhaalt zich wel tamelijk betrouwbaar waar de twijfel zich het stevigst vasthoudt:
- mensen die vers in een rol zitten, na een promotie of een overstap naar een ander vak, dus overal waar de oude maatstaf niet meer geldt en de nieuwe nog niet is ontstaan
- studenten van wie de ouders niet hebben gestudeerd; Cokley en zijn team beschreven bij hen in 2013 een sterker gevoel niet op de universiteit thuis te horen
- vakgebieden waarin een fout duur is en er zekerheid van je wordt verwacht: geneeskunde, recht, wetenschap, luchtvaart
- iedereen die in de ruimte de enige van zijn soort is, of dat nu door geslacht, leeftijd of de route ernaartoe komt
De werkelijke omvang laat zich om een simpele reden slecht meten: er wordt weinig over gesproken. Twijfel aan de eigen vakbekwaamheid hoort bij de dingen die mensen zorgvuldiger voor collega's verbergen dan hun salaris, dus iedereen in de ruimte ziet alleen de afgeronde en kalme optredens van de anderen en telt daar de eigen innerlijke rommel bij op. In groepen waar het één keer hardop wordt gezegd, is het aantal opgestoken handen meestal de grootste verrassing.
Interessant is wie je op dat lijstje niet vindt. Mensen die echt weinig kunnen. Juist daarom wordt het imposter-syndroom soms beschreven als de keerzijde van het Dunning-Kruger-effect, ook al is dat duo in werkelijkheid ingewikkelder dan er meestal over geschreven wordt.
Wie er vatbaarder voor is
Bernard, Dollinger en Ramaniah keken in 2002 naar de manier waarop de neiging tot deze twijfel samenhangt met het vijffactorenmodel van de persoonlijkheid, oftewel met de Big Five. Het sterkste verband kwam eruit bij neuroticisme, de neiging om negatieve emoties heftiger en langer te beleven. Wie daar hoog zit speelt één kritische opmerking een week lang af, terwijl twintig lovende opmerkingen ongemerkt voorbijgaan.
De tweede trek is interessanter, want die snijdt naar twee kanten. Consciëntieusheid beschermt iemand doordat ze zorgt voor goede voorbereiding en werk waarop je kunt bouwen. Tegelijk legt ze de lat zo hoog dat bijna elk werkelijk resultaat eronder belandt, en van daaruit is er weinig nodig om van gewone onvolkomenheid het bewijs van eigen tekortschieten te maken.
Ook of iemand over zijn twijfel praat speelt mee. Wie het uitspreekt krijgt in de regel binnen twee seconden een correctie van buiten: “dat ken ik, bij mij ging het precies zo”. Wie het binnenhoudt krijgt die correctie nooit en beantwoordt zichzelf, waardoor de twijfel zichzelf bevestigt. Joris is precies zo'n geval: van buiten een rustig mens, vanbinnen twee seizoenen onafgebroken monoloog.
Persoonlijkheidstrekken zijn echter geen lot en verklaren bij lange na niet alles. De omgeving doet veel: hoeveel terugkoppeling er wordt gegeven, of onzekerheid hardop gezegd mag worden en of er iemand in de ruimte zit die op jou lijkt. Waar de twijfel precies het hardst aanslaat, wordt uit elkaar gehaald in de aparte tekst over hoe het imposter-syndroom op het werk eruitziet.
Wat het imposter-syndroom niet is
Het is geen bescheidenheid. Een bescheiden mens ontkent het feit niet, hij bazuint het alleen niet rond; de zin “het is gelukt en het hele team heeft eraan gewerkt” is waar en neemt je niets af. Wegwuiven doet iets anders: het wist het feit, zodat er daarna ook voor jou niets van overblijft. De proef is eenvoudig en duurt een seconde. Geloof je wat je zojuist zei?
Het wordt ook verward met een over de hele linie lage eigenwaarde, terwijl dat twee verschillende dingen zijn. Iemand met dit patroon kan op een hoop andere terreinen prima op zichzelf vertrouwen en alleen instorten waar hij beoordeeld wordt en waar het om vakkennis gaat. Eigenwaarde is een brede zaak en wordt anders opgebouwd, waar de tekst over het vergroten van je eigenwaarde over gaat.
En het is evenmin het letterlijke tegendeel van het Dunning-Kruger-effect, hoe fraai die symmetrie ook zou klinken. Het oorspronkelijke onderzoek uit 1999 mat iets anders dan het zelfvertrouwen van vakmensen, en een deel van de conclusies wordt tot op vandaag verklaard met statistische artefacten. Wat ervan overblijft is vooral één ding: hoe meer iemand van een vak weet, hoe beter hij ziet wat hij er allemaal nog niet in kan. Van binnenuit gezien wordt dat uitzicht verward met onvermogen.
Het laatste verschil is het scherpst. Een echte bedrieger vreest ontmaskering niet, want hij weet wat hij doet en houdt er rekening mee. De angst om door de mand te vallen heeft juist degene die zijn werk eerlijk doet en het alleen niet vertrouwt; waarom die angst zich niet met bewijs laat weerleggen, haalt de tekst over waar de angst om door de mand te vallen vandaan komt uit elkaar.
Wat je eraan kunt doen
Het volgende succes lost het niet op, dat weten we inmiddels. Verder helpen eerder drie saaie dingen, en alle drie kun je deze week beginnen.
Het eerste is de bron benoemen. Zolang iemand een mistig “ik ben niet goed genoeg” in zijn hoofd draagt, valt er helemaal niets mee te doen, want dat is een uitspraak over waarde. De zin “ik heb de neiging mijn resultaten met omstandigheden te verklaren” gaat over een gewoonte, en gewoonten hebben een oplossing.
Het tweede is bewijs verzamelen voordat je het nodig hebt. Maak één map aan, een mailmap volstaat, en zet daar reacties, cijfers en afgeronde dingen in. Het geheugen levert onder druk betrouwbaar alleen de fouten, terwijl een map feiten vasthoudt. Er geldt één regel: toevoegen mag, wissen niet.
Het derde is het hardop zeggen, en juist dat deel blijkt meestal het meest te doen. Clance en Imes werkten met hun cliënten in groepen en stelden vast dat een groot deel van de opluchting komt op het moment dat iemand hetzelfde hoort van een persoon die hij voor volstrekt zelfverzekerd hield. Onuitgesproken twijfel groeit, uitgesproken twijfel krimpt. Concrete aanpakken per bron, met inbegrip van een plafond op de voorbereiding en de zogenoemde map met bewijs, haalt de tekst over het imposter-syndroom overwinnen uit elkaar.
Wat daarentegen niet werkt, hoewel bijna iedereen het heeft geprobeerd, is geruststelling van buitenaf. De zin “maar je bent toch geweldig” wordt in het hoofd van de ontvanger binnen een seconde vertaald als beleefdheid, of als bewijs dat het gelukt is zelfs degene die prijst om de tuin te leiden. Bruikbaar is pas concrete terugkoppeling: niet dat je goed bent, maar wat je precies in dat project hebt gedaan en wat er zonder jou anders was gelopen.
Nog een kanttekening, maar een eerlijke. Als twijfel aan jezelf maanden aanhoudt, je slaap kost of je weghoudt bij dingen die je anders wel zou willen, is dat geen mislukking van zelfkennis en heeft het geen zin om het met nog een artikel op te lossen. Bij zo'n last is het verstandig een hulpverlener naast je te hebben.
Hoe je erachter komt waar jouw twijfel vandaan komt
Zelfobservatie heeft bij dit onderwerp één gebrek: de twijfel praat harder dan al het andere, dus wie het zichzelf op een beroerde dag vraagt krijgt een ander antwoord dan op dinsdag na een goed overleg. Het helpt daarom om op concrete zinnen te letten in plaats van op de algemene indruk. Wanneer heb je voor het laatst over iets wat gelukt is één kale zin gezegd, zonder verdedigende toevoeging?
Het tweede hulpmiddel is nog eenvoudiger. Let na je volgende goede resultaat op waar je hoofd het eerst naar grijpt als verklaring. De een komt uit bij de voorbereiding, de ander bij het team, een derde bij de timing en een vierde bij het idee dat het niets moeilijks was. Die eerste verklaring is een aardige aanwijzing voor welke bron bij jou het hardst praat.
Wil je het beeld sneller en overzichtelijker, doorloop dan de korte oplichterssyndroomtest. Daar komt een totaalscore uit in een van de vier zones, van minimale tot sterke zelftwijfel, en daarbij de verdeling over de drie bronnen. Neem het als een globale vergelijking en als startpunt voor je eigen waarneming, niet als een diagnose.
Sanne opende drie maanden na haar promotie de genoemde map en vond er elf dingen in die ze in die tijd had afgemaakt. Het gevoel er niet thuis te horen verdween daardoor niet, het hield alleen op de enige beschikbare uitleg te zijn. Bij Joris werkte iets anders: voor de verdediging van een project schreef hij een voorspelling op van hoe het zou aflopen en las die achteraf terug. Het was beter gegaan dan wat er op papier stond, en dat stond zwart op wit.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands
Română
Français
Türkçe