Bram beweert dat Femke geen gevoel voor humor heeft. Femke denkt precies hetzelfde over Bram. Hij plaagt aan tafel, deelt bijnamen uit en heeft het meeste plezier als iemand hem terugpakt; zij vertelt trage verhalen waarin de hoofdrol is weggelegd voor haar eigen blunder, en Brams steken komen op haar over als nodeloos gejen.
Geen van beiden beschrijft daarmee de werkelijkheid. De zin “heeft geen gevoel voor humor” betekent bijna nooit dat iemand niet lacht. Het betekent dat diegene niet om hetzelfde lacht als jij, of dat diegene anders lacht dan jij gewend bent. Mensen zonder humor zijn zeldzaam. Mensen met een ander register zijn er in overvloed.
De lach die niets met grappen te maken heeft
Achter dat misverstand zit ook hoe weinig we doorgaans van lachen weten. De psycholoog Robert Provine luisterde met zijn team jarenlang af wanneer mensen lachen in gewone situaties: op de stoep, in de winkel, op de gang voor een college. De resultaten vatte hij samen in het boek Laughter (2000), en eentje daarvan is het onthouden waard. De overgrote meerderheid van het lachen volgt niet op een grap, maar op een volstrekt alledaagse zin in de trant van “nou, tot de volgende keer” of “en waar was jij eigenlijk”.
De tweede bevinding is nog minder voor de hand liggend. Lachen is in gezelschap ongeveer dertig keer waarschijnlijker dan alleen. Lachen werkt dus vooral als sociaal signaal en niet als recensie van het materiaal. Grappig is wat tussen bepaalde mensen op een bepaald moment grappig wordt.
Daar volgt nogal wat uit. Wanneer je iemands gevoel voor humor beoordeelt, meet je niet de kwaliteit van zijn grappen, maar hoever zijn manier van omgaan met humor die van jou tegenkomt. En daar ontstaat ruimte voor vergissingen, want er is meer dan één manier.
Vier registers in plaats van één eigenschap
De Canadese psycholoog Rod Martin stelde met collega's in 2003 een model voor dat humor opsplitst langs twee onafhankelijke vragen. Ten eerste: is die humor vriendelijk, of heeft hij een scherpe kant? Ten tweede: richt hij zich naar buiten op anderen, of naar binnen op jezelf? Kruis je beide vragen, dan ontstaan er vier stijlen, die bij één persoon apart te meten zijn.
| Stijl | Waarheen hij mikt | Hoe hij er in de praktijk uitziet | Waar hij goed voor is | Waar het misgaat |
|---|---|---|---|---|
| Verbindend | Naar buiten, naar mensen toe, vriendelijk. | Een verhaal uit iets wat jullie samen meemaakten, een opmerking die een vastgelopen overleg weer aan de praat krijgt, de nieuwkomer het gesprek in trekken. | De snelste manier om vertrouwen te winnen en de spanning uit een ruimte te halen. | Zodra goede zin een plicht wordt, gaat een zwaar onderwerp moeilijker open en kun je met je eigen slechte dag nergens heen. |
| Zelfversterkend | Naar binnen, naar jezelf toe, vriendelijk. | Een vertraagde trein of een mislukte presentatie kantelt binnen een paar minuten in een verhaal dat voorlopig alleen jij vertelt. | De afstand die je zelf maakt wanneer niemand anders de stemming gaat redden. | Wat meteen in een grap kantelt, wordt misschien nooit doorleefd. Sommige dingen moeten vervelend blijven tot ze zijn opgelost. |
| Scherp | Naar buiten, ten koste van anderen. | Een bijtende terzijde, een bijnaam die blijft plakken, plagen tussen mensen die het elkaar teruggeven. | Het benoemt wat iedereen ziet en niemand zegt. Onder naasten werkt het als een blijk van vertrouwen. | Of een steek verbindt of snijdt, wordt niet beslist door jouw bedoeling, maar door hoe zeker de ander zich net voelt. |
| Zelfspottend | Naar binnen, ten koste van jezelf. | Je eigen afgang vertel je eerder en kleurrijker dan een ander hem tevoorschijn zou kunnen halen. | Het ontwapent. Wie de schietschijf zelf bezet, komt niet uit de hoogte over, en anderen hoeven bij hem niet op te letten. | De omgeving raakt eraan gewend dat jij degene bent bij wie het kan, en echte problemen verdwijnen dan tussen de grappen. |
Het gaat niet om vier soorten mensen. Het gaat om vier onafhankelijke schalen waarop iedereen een waarde heeft, en pas hun verhouding vormt wat we een register noemen. De een heeft één stijl hoog en de rest laag, de ander schakelt tussen twee, en sommigen grijpen naar gelang de situatie naar alle vier. Hoe de afzonderlijke standen er van dichtbij uitzien en wat het betekent om ze in verschillende combinaties te hebben, haalt het stuk over de vier humorstijlen uit elkaar.
En nu terug naar Bram en Femke. Hij heeft de scherpe stijl hoog, zij de zelfspottende. Ze lachen allebei even graag en even vaak, alleen om ander materiaal. Bram wacht tot Femke de steek teruggeeft, en zij vertelt in plaats daarvan hoe ze op vakantie het verkeerde hotel binnenliep. Hij leest dat als een wisseling van onderwerp, zij leest zijn plagen als een aanval. Geen van beiden is ongrappig, en geen van beiden weet dat van de ander.
Grappig of dankbaar publiek?
In één begrip passen bovendien twee verschillende vermogens. Het eerste is het maken: op een grappige zin komen, hem timen en een verhaal zo vertellen dat het vaart heeft. Het tweede is het waarderen, dus het vermogen om een toespeling op te pikken, overdrijving te snappen en te lachen om wat iemand anders bedacht heeft. Als je over iemand zegt dat die gevoel voor humor heeft, bedoel je meestal die eerste helft, terwijl je diegene vooral op de tweede beoordeelt.
Dat het om losse dingen gaat, liet onder meer het onderzoek naar humor en aantrekkingskracht zien. Bressler en Balshine (2006) stelden vast dat de twee helften bij partnerkeuze zich niet hetzelfde gedragen: voor de een is wezenlijk dat de ander grappen maakt, voor de ander dat die zijn grappen waardeert. Het is dus niet één eigenschap die je van weinig naar veel op een rij zou kunnen zetten.
Praktisch betekent dat dat de stille persoon die aan tafel nauwelijks iets zegt, die tweede helft voortreffelijk ontwikkeld kan hebben. Er werd niet hardop gelachen en er kwam niets uit, dus verklaart de groep hem saai. Ondertussen ving hij elke toespeling op en amuseerde hij zich misschien beter dan degene die de hele avond het woord had.
Waar gevoel voor humor mee samenhangt
Zodra humor uiteenvalt in vier schalen, valt er zinnig te vragen waar elk daarvan mee samengaat. Het nauwst is dat bij de verbindende stijl en gezelligheid. Onderzoek verbindt humor die op mensen is gericht steeds opnieuw met extraversie, dus met hoezeer de aanwezigheid van anderen iemand oplaadt. Dat klopt al vanuit de definitie, want deze stijl ontstaat zonder publiek helemaal niet.
Zelfversterkende humor is daarentegen grotendeels stil en hangt veel losser met gezelligheid samen. Ook iemand die de hele avond vijf zinnen zegt en ondertussen in zijn hoofd de absurditeit van de situatie becommentarieert, kan hem hebben. Precies daarom duikt deze stijl in het dagelijkse oordeel over wie grappig is bijna nooit op. Je ziet hem niet.
Het tweede verband leidt naar vriendelijkheid, dus naar hoezeer iemand automatisch rekening houdt met anderen. De vriendelijke stijlen gaan er hand in hand mee, scherpe humor komt vaker voor bij mensen die er lager op scoren. Dat is echter geen veroordeling. Scherpte is gereedschap, en in een groep waar iedereen elkaar vertrouwt en de steken beide kanten op gaan, houdt ze mensen even betrouwbaar bij elkaar als wat dan ook.
Het team van Martin beschreef in 2003 nog een verband, namelijk met het algemene welbevinden. Beide vriendelijke stijlen hangen er positief mee samen, de zelfspottende juist negatief. Het is een correlatie en geen oorzaak: uit het feit dat je jezelf vaak omlaag praat, volgt niet dat het slecht met je gaat, en andersom evenmin. Het betekent eerder dat het bij deze stijl aandacht verdient hoeveel ruimte hij inneemt en of hij niet de enige manier is geworden waarop je over jezelf praat.
Het vaakst wordt humor echter met intelligentie in verband gebracht. Greengross en Miller lieten in een studie uit 2011 zo'n vierhonderd studenten grappige bijschriften en antwoorden bedenken, en het vermogen om met iets werkelijk grappigs te komen correleerde met algemene en verbale intelligentie. De verhouding tussen tempo, taal en lachen haalt een apart artikel uit elkaar over of grappige mensen slimmer zijn.
Eenvoudige oordelen worden bovendien nog door iets bedorven: het register verandert met de omgeving mee. Dezelfde persoon is in een vergadering merkbaar voorzichtiger dan tussen drie vrienden die hij twintig jaar kent, en thuis draait hij weer een andere stand dan in het café. Wie iemand uit één enkele context kent, ziet een plak van diens register en beoordeelt daarnaar het geheel. Vandaar de verrassing als de zwijgzame collega op het bedrijfsfeest iemand heel anders blijkt te zijn.
Hoeveel hiervan aard is en hoeveel gewoonte
Hier zit het grootste misverstand. Gevoel voor humor geldt doorgaans als iets waarmee je geboren wordt: je hebt het of je hebt het niet. De waarheid is saaier en tegelijk bruikbaarder. Een deel komt van de aanleg die met humor samengaat, alleen is het register zelf grotendeels aangeleerd, en dan vooral in het gezin en de groep waarin je opgroeide.
Thuis, waar alles via een droge opmerking wordt afgehandeld, leert een kind droge opmerkingen maken. In een gezin waar een scherpere opmerking drie dagen kilte zou hebben opgeleverd, leert het zichzelf omlaag te praten of verhalen te vertellen. Tegen je twintigste heb je zoveel herhalingen achter de rug dat het antwoord eerder komt dan je het kunt kiezen. Vandaar het gevoel dat het om aard gaat.
Een humorstijl is daarom eerder een gewoonte dan een vonnis, en met gewoonten valt te werken. Dat betekent niet dat een droge ironicus een entertainer wordt. Het betekent dat het register te verbreden is met een stand die je tot nu toe nauwelijks gebruikt, en dat je bewust kunt kiezen wanneer je naar de scherpte grijpt en wanneer niet. Wat daarvan te trainen valt en wat niet, behandelt het stuk over of humor te leren is.
Bram en Femke zouden aan weinig genoeg hebben. Wist hij dat haar verhaal over het verkeerde hotel een uitnodiging tot samen lachen is en geen ontwijkende manoeuvre, dan sloot hij aan in plaats van er nog een steek bovenop te doen. Wist zij dat plagen in zijn gezin de manier is om “ik mag je” te zeggen, dan nam ze het niet op als verwijt. Hun aard zou geen van beiden hoeven veranderen, alleen de toon van de ander lezen.
De verandering begint daarbij niet bij grappen, maar bij oplettendheid. De meeste mensen hebben geen idee welk register ze eigenlijk gebruiken, want humor draait op de automatische piloot en terugkoppeling krijg je er nauwelijks op. Wie geraakt wordt, lacht meestal met de rest mee, ook als het pijn deed, en niemand vertelt je dat je verhaal over je eigen stommiteit de vijfde keer anders klonk dan de eerste.
Waar je bij jezelf op kunt letten
Je eigen register valt in te schatten uit drie dingen die je zonder enige vragenlijst kunt waarnemen. Het eerste is wanneer je eigenlijk lacht. In gezelschap, of ook alleen boven een mail? Als het goed met je gaat, of vooral als het op zijn slechtst is? Wie vooral in de ellende lacht, heeft hoogstwaarschijnlijk de zelfversterkende stand sterk ontwikkeld, ook al zou diegene zichzelf nooit grappig noemen.
Het tweede is ten koste van wie die lach plaatsvindt. Loop eens één avond van gisteren terug en tel hoeveel grappen op iemand aanwezig gericht waren, hoeveel op jou en hoeveel op niemand in het bijzonder. Dat laatste getal is bij de meeste mensen het laagst, wat op zichzelf al een interessante bevinding is.
Het derde signaal is het stilste en tegelijk het betrouwbaarste: hoe je je tien minuten later voelt. Na een verbindende grap voelt een mens zich goed en staat hij dichter bij de anderen. Na een goed gemikte steek komt een korte roes, die soms door een onaangename nagalm wordt afgelost. En na een reeks grappen ten koste van jezelf dient zich af en toe een gevoel aan dat als milde leegte te beschrijven valt, ook al heeft iedereen zich prima vermaakt.
Een eerlijke vraag om dit deel af te sluiten: wanneer maakte je voor het laatst een grap waar je zelf van binnen niet om lachte, maar die je zei omdat het van je verwacht werd? De meeste mensen weten dat snel. Juist zulke momenten laten zien waar het register geen keuze meer is, maar een rol.
Wil je na dit waarnemen de verhouding van de vier stijlen scherper krijgen, dan geeft een korte humorstijlentest je houvast. Hij vraagt naar gewone situaties, de uitkomst is de verhouding van alle vier de schalen, en neem hem als beginpunt voor je eigen opletten, niet als etiket.
Een week die meer over je zegt dan welke zelfreflectie ook
Probeer zeven dagen lang één oefening. Elke keer dat je in de loop van de dag echt lacht, schrijf je twee woorden in je notities: wie het doelwit was en wie erbij was. Niets meer, geen oordeel, alleen die twee woorden. Na een week heb je twintig tot vijftig regels.
Loop die regels daarna in één keer door. Bij de meeste mensen springt er één stijl uit die duidelijk overheerst, en één die geen enkele keer voorkomt. Interessanter dan de eerste is juist de ontbrekende, want precies daar raakte in een of andere situatie je gereedschap op zonder dat je het merkte. En denk daarna eens aan Bram en Femke, de volgende keer dat je over iemand hoort dat die geen gevoel voor humor heeft.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands
Română