Bram gooit er in het maandagoverleg uit dat het nieuwe systeem zo intuïtief is dat iedereen het snapt, mits je vooraf twee keer de handleiding leest. Femke merkt drie minuten later op dat vooral collega Thomas ermee worstelt, maar Thomas worstelt ook met de lift. De tafel lacht in beide gevallen, bij de tweede grap zelfs een tikje harder.
Het verschil tussen die twee zinnen blijkt pas daarna. Die van Bram wordt in de loop van de week een vaste kantooruitdrukking, die van Femke speelt Thomas 's avonds op weg naar huis nog een keer af. Het ging niet om talent en niet om gevatheid, maar om richting: de ene grap mikte op de situatie, de andere op een mens in de kamer. Rond die grens bouwt de humorpsychologie al twintig jaar haar hele model.
De vraag verschoof van “hoeveel” naar “waarvoor”
Oudere vragenlijsten maten humor als één grootheid. Hoeveel je ervan hebt, hoe snel je op een pointe komt, hoe erg je om andermans grappen kunt lachen. Het lastige daaraan was dat zo'n meting dezelfde hoge score gaf aan degene die een groep bij elkaar houdt en aan degene die collega's stelselmatig kleiner maakt. Beiden lachen veel en beiden zijn snel met een zin.
Rod Martin en zijn team stelden daarom in 2003 een andere ordening voor. In plaats van de hoeveelheid humor beschreven zij de functie ervan, en die splitsten ze met twee vragen. De eerste vraagt naar de toon: is de grap vriendelijk, of heeft hij een rand, kost hij iemand dus iets? De tweede vraagt naar de richting: mikt hij naar buiten, op mensen, of naar binnen, op degene die hem maakt? Uit twee vragen ontstaat een raster met vier vakken, en in elk vak zit een van de vier humorstijlen.
Vriendelijke humor gericht op anderen is de verbindende. Vriendelijke humor gericht op jezelf is de zelfversterkende, oftewel de afstand die iemand zelf tot zijn eigen ellende fabriceert. De rand naar buiten gedraaid levert de scherpe stijl op, de rand tegen jezelf gedraaid de zelfspottende. Academisch heet de eerste affiliatieve humor, een onnodig lang woord voor gedrag dat je van elk feest kent.
Het interessante is wat dat model stilzwijgend beweert. Humor hield op een deugd te zijn waarvan je veel of weinig hebt en werd een gereedschap. Gereedschap beoordeel je op wat het doet en in wiens hand het ligt. Hoeveel je uit iemands humor kunt aflezen, wordt uitgebreider uit elkaar gehaald in de tekst over wat gevoel voor humor over de persoonlijkheid verraadt.
Daar past een bevinding bij die de meeste mensen verrast. Robert Provine nam met zijn team alledaagse gesprekken op in winkelcentra en gangen, en vatte in een boek uit 2000 samen dat maar een fractie van het lachen op een grap volgt. Het meeste volgt op volstrekt gewone zinnen als “tot morgen dan” of “en waar was jij?”. In gezelschap lachen we bovendien in de orde van zo'n dertig keer eerder dan alleen.
Lachen is dus niet in de eerste plaats een reactie op grappigheid, maar een sociale zet. Terug naar het overleg: de zin van Bram en die van Femke waren vooral bewegingen binnen een groep. De ene bracht mensen dichter bij elkaar, de andere schoof er één opzij. Een humorstijl beschrijft precies die beweging, niet de kwaliteit van de pointe.
De vier stijlen in het kort
De tabel vat samen waaraan je de afzonderlijke stijlen van buitenaf herkent, waar ze goed voor zijn en wat je ervoor betaalt. Geen van de vier is een karakterfout, en elke stijl heeft een situatie waarin hij de beste beschikbare keuze is.
| Stijl | Hoe hij zich toont | Waar hij voor dient | Wat hij kost |
|---|---|---|---|
| Verbindend | Maakt grappen met mensen, niet over mensen. Doorbreekt een ongemakkelijke stilte, maakt van een gedeelde ervaring een verhaal en trekt de nieuwkomer het gesprek in. | De snelste route naar vertrouwen die er is. Mensen die samen lachen, houden samen ook vervelende dingen makkelijker vol. | Wordt een goed humeur permanent verwacht, dan gaat een zwaar onderwerp moeilijker open en kan je eigen slechte dag nergens heen. |
| Zelfversterkend | Speelt zich vooral in het hoofd af. De vertraagde trein en je eigen blunder kantelen binnen een moment in een verhaal. | Afstand waarvoor geen publiek nodig is. Hij werkt ook op het moment dat niemand anders de stemming redt. | Wat meteen in een grap kantelt, komt er misschien nooit aan toe echt gevoeld te worden. Sommige dingen horen vervelend te blijven tot ze opgelost zijn. |
| Scherp | Steken onder water, plagen, commentaar ten koste van aanwezigen en afwezigen. Snel, slim en meestal raak. | Benoemt wat iedereen ziet en niemand zegt. Tussen mensen die elkaar vertrouwen werkt plagen als teken van nabijheid. | De uitwerking wordt niet bepaald door jouw bedoeling maar door de zekerheid van de ander. Wie geraakt wordt lacht meestal mee, dus ter plekke kom je het niet te weten. |
| Zelfspottend | Het mikpunt ben jij. Je eigen blunder vertel je eerder en beter dan iemand anders hem zou kunnen ophalen. | Ontwapent en haalt de spanning uit een kamer. Het is tegelijk de goedkoopste manier om andermans spot voor te zijn. | De rol van degene die er wel tegen kan blijft plakken. Een grap over jezelf die je voor de tiende keer vertelt, slaat je omgeving op als feit en niet als overdrijving. |
De vriendelijke vakjes verleiden ertoe ze als goede manieren te lezen, maar daar hebben ze weinig mee te maken. Verbindende humor is een sociale vaardigheid met een tamelijk tastbare opbrengst: in een ruimte waar mensen zojuist samen hebben gelachen, spreek je een slecht bericht makkelijker uit. De zelfversterkende stijl is daarentegen bijna onzichtbaar, want hij speelt zich tussen de oren af. Bij een ander herken je hem alleen indirect, doordat een geannuleerde vlucht of een total loss gereden auto hem niet zo velt als je had verwacht.
De scherpe stijl is degene waarbij mensen zich het snelst gaan verdedigen of juist verontschuldigen, en geen van beide is nodig. Heel wat jarenlange vriendschappen staan juist op onderling plagen en zouden zonder dat vreemd formeel aanvoelen. Of een steek verbindt of snijdt, wordt echter niet door de formulering beslist. Dat wordt beslist door hoe zeker de ander zich op dat moment voelt. Waar die grens precies ligt, en waarom dezelfde zin op vrijdagavond anders leest dan op maandagochtend, wordt uit elkaar gehaald in de tekst over wanneer sarcasme werkt en wanneer niet.
Een hoofdstuk apart is humor over dingen waar normaal niet mee gespot wordt. Een galgengrap op een ziekenhuisgang valt niet automatisch in het scherpe vakje, want het mikpunt is meestal geen mens maar de gruwel van de situatie zelf. Wie dat register ligt en wat erover bekend is, behandelt een aparte tekst over zwarte humor.
Elk van de vier standen heeft zijn moment als beste beschikbare keuze. Een venijnige opmerking benoemt in twee seconden waar een beleefde beschrijving tien minuten omheen praat. En je eigen blunder op tafel leggen laat een nieuwkomer binnen een ogenblik zien dat hij bij jou niet op zijn tellen hoeft te passen. Beslissend zijn dus context en dosering, niet de stijl op zichzelf.
Vier getallen in plaats van één etiket
De meest voorkomende vergissing bij een model met vier vakken is de verwachting dat één ervan je in zijn geheel opslokt. De schalen zijn echter onafhankelijk. Een hoge score op verbindende humor verlaagt de scherpe in niets, en iemand kan rustig op drie van de vier stijlen hoog zitten. Je krijgt geen etiket, je krijgt vier getallen, en pas hun verhouding zegt iets.
In de praktijk wordt vooral het paar op de eerste twee plaatsen gelezen. De primaire stijl is degene waar je automatisch naar grijpt als je niet nadenkt. De secundaire treedt aan wanneer de primaire niet past of wanneer het spannend wordt. Er zijn twaalf paren en ze verschillen behoorlijk: een entertainer met een scherpe tweede stijl houdt de hele avond in een vuurgevecht, terwijl een entertainer met een zelfspottende tweede stijl zelf het mikpunt bezet en de groep daarmee sneller losmaakt dan wie ook.
Femke uit het begin hoeft daarom niet “die venijnige” te zijn. Het kan best dat ze beide hoog heeft, het scherpe en het verbindende, en dan komt er iemand uit die een feest op gang brengt en daarbij niemand spaart. Die combinatie is geliefd en riskant tegelijk, want het publiek beloont haar en een beloonde grap heeft de neiging er de volgende keer een schepje bovenop te doen.
Het register kan bovendien breed of smal zijn. Wie één uitgesproken stijl heeft en de rest laag, is goed leesbaar en zijn humor heeft een handschrift, maar een situatie waar die ene stand niet op past treft hem zonder reserveplan. Wie op drie of vier hoog zit, haalt afhankelijk van het moment het verhaal of de droge opmerking tevoorschijn. Juist bij die persoon gebeurt het gemakkelijk dat hij pakt wat voorhanden is in plaats van wat op dat moment nodig is.
En nog iets wordt regelmatig verward: stijl is niet hetzelfde als hoeveelheid. Een stille persoon die op een avond drie zinnen zegt, kan uitgesproken verbindende humor hebben, want alle drie mikten op mensen. Hoeveel je lacht en waar je humor op mikt zijn twee verschillende metingen.
De verhouding tussen die vier getallen is trouwens niet levenslang. De omgeving beweegt eraan: in een team waar snelle steken beloond worden groeit het scherpe aandeel ook bij iemand die het niet mee naar het werk bracht, en in een groep waar van elke misser een verhaal wordt gemaakt leer je dat binnen één seizoen. Een uitslag is het daarom waard om als foto van de huidige afstelling te nemen en niet als beschrijving van je karakter.
Wat de stijlen over je welbevinden zeggen en wat niet
Hier loont voorzichtigheid, want juist dit deel van het onderzoek verdraaien koppen het vaakst. De groep van Martin, en na hem een reeks andere werken, komt telkens op hetzelfde beeld uit. Beide vriendelijke stijlen hangen doorgaans samen met een beter humeur en tevredener relaties, terwijl zelfspottende humor eerder aan de andere kant uitkomt, dus dichter bij een minder goed welbevinden. De scherpe stijl is voor de drager ervan ongeveer neutraal, en de rekening ervoor betaalt meestal de omgeving.
Het woord “correleert” doet in zo'n zin al het werk. Niemand heeft gemeten of jezelf afbreken de stemming bederft of dat iemand die zich slecht voelt de humor simpelweg vaker tegen zichzelf keert. Het kan allebei waar zijn, en daarbovenop nog een derde ding dat achter beide staat. Uit een correlatie valt geen vonnis over een mens te maken, alleen een observatie die aandacht verdient.
Ook de grootte van dat verband is een vermelding waard. Het gaat niet om een kloof tussen de tevreden en de ongelukkige mens, maar om een lichte helling die pas bij grote groepen mensen zichtbaar wordt. Een concrete persoon met zelfspottende humor kan volstrekt in orde zijn, en iemand met twee vriendelijke stijlen kan een beroerd jaar achter de rug hebben. Elke vergelijking met anderen is daarom indicatief en niet meer dan dat.
Het helpt bovendien om twee dingen te scheiden die van buitenaf hetzelfde ogen. Zelfspot waarbij iemand de eigen waarde vasthoudt en alleen niet de onfeilbare uithangt, hoort bij de aangenaamste gezelschapseigenschappen die er zijn. Zelfafbraak waarbij de grap tegelijk een oordeel over jezelf is, klinkt aan de oppervlakte precies hetzelfde en werkt vanbinnen anders. Waar de grens tussen die twee loopt en hoe je haar bij jezelf herkent, wordt uit elkaar gehaald in de tekst over gezonde zelfspot.
En nu eerlijk: wanneer zei je voor het laatst iets kleinerends over jezelf en meende je het minstens half? Niet als verhaal dat je vertelt omdat het werkt, maar als zin waar je een beetje mee instemt. Het antwoord daarop zegt meer over je register dan het hele model bij elkaar.
Met z'n tweeën komt dit alles het sterkst naar buiten. Gedeeld lachen in een relatie is een bruikbare aanwijzing voor hoe het met die relatie gaat, en tegelijk merk je juist daar het snelst wanneer de rand ophoudt een spel te zijn en een manier wordt om echt iets te zeggen. Aan hoe humor zich gedraagt tussen twee mensen die samenwonen, is de tekst gewijd over wat humor in je relatie doet.
Niets hiervan is een in steen gehouwen karaktertrek. Een humorstijl lijkt eerder op een uitgesleten pad waarover je reacties lopen, omdat ze er al duizend keer overheen zijn gelopen. Uitgesleten paden zijn om te leiden, het duurt alleen langer dan één voornemen.
Hoe je erachter komt waarmee je eigenlijk lacht
Zelfobservatie heeft bij humor één gebrek. We onthouden de grappen die aankwamen, terwijl de grappen die in stilte vielen binnen een paar uur uit het geheugen verdwijnen. De meeste mensen schatten zichzelf daardoor een stuk vriendelijker in dan hun omgeving hen ziet, en bij de scherpe stijl is dat verschil doorgaans het grootst.
Bruikbaarder is het om een paar concrete dingen te volgen, en wel in een gewone week in plaats van achteraf uit je hoofd. Op wie was de laatste grap gericht die je vandaag maakte? Kwam het lachen meteen op gang, of haakte iemand pas een seconde later aan? En als die zin nooit gevallen was, had de situatie er dan iets bij verloren, of alleen jij?
Het tweede hulpmiddel is nog eenvoudiger en werkt met kerst en op vakantie. Let op waar je naar grijpt op het moment dat je je rot voelt. De een gaat in die toestand de omgeving vermaken, de ander vertaalt de misser in zijn hoofd tot een verhaal en vertelt het aan niemand, een derde prikt naar de eerste die voorhanden is en een vierde maakt de clown van zichzelf. Dit is je uitgangsstand, en wel betrouwbaarder dan alles wat je in alle rust en op afstand over jezelf zegt.
Het is ook de moeite waard om te volgen waar je register verandert. De meeste mensen hebben thuis een andere stand dan op het werk, maar weinigen kunnen zich herinneren wanneer ze precies zijn omgeschakeld. Zodra je erop begint te letten, blijkt meestal dat de schakelaar niet door situaties wordt bediend maar door bepaalde personen. Bij twee, drie namen rijd je in een stand die je elders niet zou gebruiken.
De goedkoopste databron heb je sowieso binnen handbereik, en dat is iemand die dagelijks naar je luistert. Vraag je partner of een collega wie in jouw aanwezigheid het mikpunt pleegt te zijn en of je bij je grappen vaker mét mensen lacht of óm hen. Het antwoord komt meestal binnen twee seconden en zonder aarzeling, wat op zichzelf al iets zegt. Waar jouw versie en de hunne uiteenlopen, ligt de hunne in de regel dichter bij de werkelijkheid, want zij horen het resultaat terwijl jij alleen de bedoeling kent.
Wil je sneller een indicatief beeld, loop dan de korte humorstijlen test door. Hij vraagt naar alledaagse situaties en levert vier getallen op plus een primaire en een secundaire stijl. Neem hem als startpunt voor je eigen observatie, niet als vonnis.
De week waarin je mikpunten telt
Probeer zeven dagen lang één oefening die een minuut per dag kost. Schrijf 's avonds twee getallen op: hoe vaak jouw grap vandaag op iemand in de kamer mikte en hoe vaak op jezelf. Beoordeel verder niets, alleen die twee getallen.
Na een week pelt zich daar een verhouding uit, en die is meestal onaangenaam nauwkeurig. Bij sommigen komt er nul om nul uit en ontdekken ze dat hun humor alleen om situaties draait en mensen nauwelijks raakt. Een ander ziet zeven om één en is verbaasd hoeveel hij in een week over iemand uitstort zonder dat hij het weet.
Dat tweede getal weegt even zwaar als het eerste. Een grap ten koste van jezelf, af en toe gemaakt, is een gezelschapscadeau; de vierde op één avond is al een gewoonte, en die slaat je omgeving op als beschrijving en niet als overdrijving. Het verschil tussen die twee zit niet in wat je zegt maar in hoe vaak.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands
Română