Sanne kreeg de promotie waar ze twee jaar over had gepraat. Ze bedankte, legde de telefoon neer en had binnen tien minuten een verklaring klaar: het team viel uit elkaar, ze moesten iemand aanstellen en zij stond toevallig het dichtst in de buurt.
Anderhalf jaar later leidde ze een afdeling waar in die hele tijd één persoon was vertrokken. De verklaring was niet veranderd, hij was alleen een verdieping omhooggeschoven. Ze had geluk gehad met de mensen. Twee jaar resultaten gingen door hetzelfde filter en kwamen er als toeval weer uit.
Waarom het volgende succes de twijfel niet stilzet
Het plan waarmee bijna iedereen begint klinkt verstandig: bewijs het nog één keer, nu goed, en dan is er rust. Alleen gaat dat plan ervan uit dat de twijfel is ontstaan uit een gebrek aan bewijs. Meestal is dat niet zo.
Bewijs hebben mensen met dit patroon meer dan genoeg: beoordelingen, afgeronde projecten, jaren werk. Wat ontbreekt is de weg waarlangs het naar binnen komt. Elk afgerond resultaat wordt namelijk binnen een paar tellen herschreven tot een van twee verklaringen: er zat geluk achter, of er zat gezwoeg achter dat bij echt kunnen niet nodig was geweest. Geen van beide wordt op jouw naam geschreven.
Daaruit volgt een behoorlijk vervelende eigenschap van het geheel. Met stijgende resultaten wordt de twijfel niet zwakker, eerder harder, want de inzet stijgt mee. Christina Neureiter en Eva Traut-Mattausch beschreven in 2016 dat zulke twijfel doorwerkt in loopbaankeuzes: in welke rol iemand überhaupt vraagt en wat iemand aandurft te proberen.
Het komt bovendien vaker voor dan iemand vermoedt die zich de enige in de kamer voelt. Het overzicht van Dena Bravata en haar team uit 2020 nam 62 studies door en meldt een voorkomen tussen de 9 en 82 procent, afhankelijk van wie er is bevraagd en waarmee er is gemeten. De marge is zo breed dat er eerlijk gezegd geen enkel getal uit te trekken valt. Het cijfer van “zeventig procent van de mensen” dat rond dit onderwerp circuleert is een schatting die Jaruwan Sakulku en James Alexander in 2011 hebben voorgesteld, geen meetresultaat. De eerlijke conclusie is dat het om een gewone ervaring gaat.
Het is ook goed om te zeggen wat overwinnen hier werkelijk betekent. Niet een toestand waarin de gedachte dat je het niet kunt nooit meer opkomt; zo'n hoofd bestaat niet, en een stuk onzekerheid voor iets nieuws is best nuttig, omdat het je aandacht wakker houdt. Het realistische doel is een verschuiving in wie beslist. De twijfel mag langskomen, hij mag alleen niet meer kiezen of je in de vergadering je mond opendoet, of je om die rol vraagt en hoeveel uur je vanavond nog extra maakt.
Zoek eerst uit waar de twijfel vandaan komt
Adviezen in de trant van “geloof wat meer in jezelf” lopen onder meer stuk omdat ze op alles tegelijk mikken. Twijfel aan je eigen kunnen heeft drie verschillende ingangen, en een techniek die op de ene werkt is bij de andere twee meestal waardeloos.
De eerste is het bedriegersgevoel. Eronder loopt de stille aanname dat jouw plek van iemand met meer talent is en dat het vroeg of laat uitkomt. Je herkent het doordat je jezelf in de gaten houdt: je zwijgt tot je zeker bent en je vraagt minder dan je nodig hebt.
De tweede ingang is het wegwuiven van succes. Resultaten komen binnen, alleen blijven ze bij jou niet warm, want bij elk resultaat komt meteen een opmerking waarom het niks bijzonders was. Uit een hele ronde feedback neem je zonder mankeren die ene kritische zin mee.
De derde is geluk en omstandigheden. Als iets lukt, zoek je de oorzaak buiten: in de timing, in het team, in het feit dat ze bij het tentamen mild voor je waren. Op jouw rekening komt zo nooit iets blijvends te staan.
Die drie ingangen hangen samen en bijna niemand heeft er maar één. Eén ervan praat doorgaans harder dan de rest, en daar hangt van af waar je begint. Waar het hele patroon vandaan komt en waarom het zich ook bij mensen met uitstekende resultaten vasthoudt, wordt uit elkaar gehaald in de tekst over wat het imposter-syndroom is.
Als die plek van iemand anders lijkt
De brandstof van het bedriegersgevoel is meestal extra voorbereiding. Jeroen loopt zijn presentatiemateriaal vijf keer door, hoewel hij na de derde ronde niets nieuws meer vindt. Gaat het daarna goed, dan schrijft hij dat toe aan de voorbereiding. En omdat een kortere voorbereiding in zijn lezing zou betekenen dat hij door de mand valt, krijgt de angst nooit de kans om weerlegd te worden.
Die lus breekt met een plafond op de voorbereiding. Je bepaalt vooraf hoeveel tijd de klus krijgt, zeg twee uur voor een presentatie, en als die om is stop je, hoe je je ook voelt. Extra voorbereiding tilt de kwaliteit namelijk niet meer omhoog, ze sust de onzekerheid alleen een paar uur en leert haar daarmee dat ze zich volgende keer opnieuw mag melden. Vervelend is dat ongeveer twee keer.
Het tweede is de vertaling van één zin. De gedachte “ik hoor hier niet” gaat over je waarde en daar valt niets mee te doen. De zin “dit specifieke ding ben ik nog aan het leren” gaat over een vaardigheid en heeft een oplossing: navragen, het met iemand doornemen, oefenen. Een beginner zonder routine is geen bedrieger, alleen iemand aan het begin van de curve.
De derde techniek vergelijkt, maar met een andere tegenstander. Van de mensen om je heen zie je afgeronde resultaten, niet hun onbeholpen begin, dus de vergelijking is bij voorbaat verloren. Schrijf drie concrete dingen op die je vandaag kunt en een jaar geleden niet. Het zijn er meestal meer dan je verwacht, en vooral: het valt na te gaan, een indruk niet.
Bij deze bron helpt daarnaast één regel voor de situatie zelf, want in een kamer vol mensen komen technieken zelden aan de beurt. Jeroen voerde iets simpels in: in elke vergadering zegt hij binnen de eerste tien minuten één zin, zolang het nog goedkoop is. Het hoeft geen oordeel over het hele project te zijn, een vraag of een aanvulling volstaat. Zodra het zwijgen een half uur voorbij is, komt er bij de angst ook nog een lat voor de kwaliteit van je bijdrage, en spreken lukt steeds slechter.
Als daar een lat bij komt die na elk gehaald doel een stukje omhoogschuift, is het de moeite waard te lezen hoe perfectionisme en het imposter-syndroom elkaar draaiende houden. Het is het vaakst voorkomende duo waarin dit patroon opduikt.
Als het succes niet wordt meegeteld
Sanne reageerde op een compliment in een vergadering met drie toevoegingen binnen vijf seconden: we hadden een goed team, het liep toch al uit en over een maand ziet niemand het meer. Haar leidinggevende had het op dat moment allang over iets anders. Van het compliment bleef niets over, bij hem niet en bij haar niet.
De goedkoopste techniek tegen deze bron is een antwoord van één woord: bedankt. Zonder afzwakking, zonder onmiddellijk door te verwijzen naar het team, zonder uit te leggen waarom het niet moeilijk was. De eerste dagen voelt het brutaal. Het is niet brutaal, het is gewoon een zin waarna er van de waardering eindelijk iets bij je blijft hangen.
Het tweede is een map. Een mailmap is prima, een notitie op je telefoon ook, als het maar één plek is waar goede reacties, cijfers en afgeronde dingen terechtkomen. Loop hem door voor een beoordeling of een zware klus, want het geheugen haalt onder druk vooral fouten naar boven. Er geldt één regel: toevoegen mag, verwijderen niet.
En ten derde: schrijf de weg bij het resultaat. Iets wat af is ziet er ook voor de maker eenvoudig uit, omdat je er de versies, de uren en de doodlopende wegen niet aan afziet. Staat die weg op papier, dan houdt de zin “dat had iedereen gekund” eenvoudigweg geen stand; als iedereen het had gekund, had iemand anders het gedaan.
Wanneer heb je voor het laatst een compliment gelaten zoals het binnenkwam? Niet als retorische vraag, maar echt: schiet je een concrete situatie uit de afgelopen maand te binnen? Wie er geen kan bedenken heeft hier een plek om te beginnen, en vindt er meer over in de tekst over hoe je complimenten ontvangt zonder de automatische toevoeging.
Als geluk overal de schuld van krijgt
Deze bron herken je aan één woord. Op de vraag hoe je aan je positie bent gekomen begin je met “toevallig” en ga je verder met een opsomming van gelukkige omstandigheden. Het laat zich ontwapenen met potlood en papier, want toeval heeft één zwakte: het valt niet in stappen uit te schrijven.
Neem het laatste wat goed ging en verdeel een vel in twee kolommen. Links wat jij hebt gedaan, besloten en opgelost, op volgorde. Rechts de omstandigheden die in jouw voordeel werkten. Kijk dan naar de verhouding. De omstandigheden verdwijnen er niet uit, maar het zijn er bijna altijd minder dan de eerste indruk suggereerde.
Het tweede hulpmiddel is een verschuiving van perspectief. Als een goede vriend hetzelfde resultaat had geboekt, wat zou je dan zeggen? Vrijwel zeker zou je het over zijn werk hebben en niet over mazzel met de opdracht. Diezelfde zin zeg je daarna hardop tegen jezelf, want de maatstaf hoort aan beide kanten dezelfde te zijn.
Het effectiefst is echter de voorspelling. Schrijf voor de volgende beproeving, een sollicitatiegesprek, een verdediging, een zware opdracht, op hoe het volgens jou afloopt en waarom. Lees het na afloop terug. Als het je herhaaldelijk beter afgaat dan je verwachtte, heb je een document in handen dat niet is weg te praten, omdat je het zelf en vooraf hebt geschreven.
Een eerlijke kanttekening hoort er ook bij: omstandigheden zijn echt en iedereen heeft ze. Goede timing, een beschikbare mentor of een vakgebied dat net groeit kunnen deuren openen. Het werk dat daarachter lag nemen ze niet van je over. Aan het verschil tussen een kans en een prestatie is de tekst succes of geluk uitgebreider gewijd.
Waarom het helpt om het hardop te zeggen
Jeroen vertrouwde een collega na een half jaar in zijn nieuwe baan toe dat hij naar eigen schatting nog zo'n twee maanden had voordat iemand zou merken dat hij er niets van begreep. De collega lachte en zei dat hij dat sinds zijn eerste dag over zichzelf denkt, dus al vier jaar. Die zin deed voor Jeroens rust meer dan het hele halfjaar goede resultaten ervoor.
Pauline Clance en Suzanne Imes, die het verschijnsel in 1978 beschreven, werkten er vanaf het begin in groepen mee. Dat was geen toeval: een onuitgesproken twijfel groeit zonder tegenwicht, omdat niemand hem naast de werkelijkheid kan leggen. Zodra hij is uitgesproken komt hij in omloop, en in omloop krimpt hij meestal.
Het werkt alleen als de zin concreet is. “Ik heb het gevoel dat ik het niet kan” is te algemeen om de ander er iets mee te laten doen, dus krijg je algemene geruststelling terug. “Ik ben bang dat mijn argumenten bij hoofdstuk drie tijdens de verdediging opraken” is een opdracht waar antwoord op te geven valt. Kies één iemand uit je vak die je vertrouwt en begin daar.
Bij de keuze van die persoon past wel voorzichtigheid. Toegegeven onzekerheid is geen professionele zelfmoord, maar timing en geadresseerde doen ertoe: je leidinggevende midden in een beoordelingsronde, of een klant met wie je net over de prijs onderhandelt, zijn het verkeerde adres. Iemand die in het vak ongeveer even ver is als jij werkt goed, of juist iemand een stap verder en buiten je eigen bedrijf. De groepsvariant werkt nog beter, omdat je hetzelfde van meerdere mensen tegelijk hoort.
Feedback waar je iets mee kunt
Geruststelling van buitenaf helpt bij dit patroon nauwelijks. De zin “maar jij bent toch geweldig” gaat door hetzelfde filter als al het andere en komt eruit als “hij wil me kalmeren”. Bruikbaar is pas feedback die zo concreet is dat beleefdheid haar niet kan wegverklaren.
In de praktijk betekent dat anders vragen. Probeer in plaats van “was het goed?” eens “wat zou ik de volgende keer anders doen en wat werkte juist wel?”. De eerste vraag biedt de ander een vluchtweg in de beleefdheid, de tweede vraagt om een beschrijving. Een antwoord als “het stuk over het budget deed je goed, de tabel zou ik vereenvoudigen” laat zich in je hoofd veel slechter herschrijven dan een compliment.
Iemand buiten je eigen lijn is hier geschikt voor: een mentor van een andere afdeling, iemand uit het vak, een oud-collega. Die beoordeelt jou niet, dus heeft geen reden om er iets af of bij te doen. Hoe je om zulke feedback vraagt en hoe je haar zo geeft dat er iets mee te doen valt, wordt uit elkaar gehaald in de tekst over feedback geven en ontvangen.
Wanneer het meer is dan zelfkennis
Twijfel aan jezelf is geen ziekte en geen stoornis, en in de classificaties van psychische stoornissen komt dit verschijnsel niet voor. De technieken hierboven zijn dus geen behandeling, maar werk aan een denkgewoonte. Bij een deel van de mensen volstaat dat en bij een ander deel niet, en dat is goed om vooraf te weten.
Een gesprek met een psycholoog of therapeut is de moeite waard als een van deze punten opgaat:
- De twijfel houdt weken aan, los van hoe het objectief gaat.
- Uit angst om door de mand te vallen sla je kansen af die je echt wilt.
- Er is iets bij gekomen en het duurt voort: slaap, eetlust, een stemming die laag blijft.
- Je praat over jezelf op een manier waarop je met niemand anders zou praten.
Op zo'n moment hulp zoeken is geen teken dat er iets ernstig mis is. Het is eerder een praktische keuze: bij een denkgewoonte van twintig jaar oud is professionele begeleiding meestal een eenvoudiger weg dan een voornemen op een avond.
Eén techniek en twee weken
De snelste manier om alles hierboven binnen een maand op te geven, is met alles tegelijk beginnen. Kies één ding, geef het twee weken en laat de rest liggen. Het plafond op de voorbereiding, het bedankt van één woord of het laatste succes uitgeschreven in stappen, afhankelijk van welke bron bij jou het hardst praat.
Goed kiezen gaat alleen makkelijk als je die bron kent. Een aanwijzing geeft de korte oplichterssyndroomtest: eenentwintig vragen, aan het eind een totaalscore en de verdeling over de drie bronnen van twijfel. Neem de vergelijking met anderen als globale oriëntatie, het gaat erom te vinden waar je begint, niet om een etiket te krijgen.
Schrijf die twee weken elke avond één zin op over wat er werkelijk is gebeurd. Geen indruk, alleen een feit: de verstuurde analyse, de vraag die je in de vergadering stelde, het compliment waarna je zweeg. Indrukken buigen onder druk, aantekeningen niet, en precies daarom valt er na veertien dagen iets uit te lezen.
Sanne ontdekte na twee weken zulke aantekeningen iets wat ze niet had verwacht. Niet dat ze ineens in een verdiende promotie geloofde. Ze ontdekte hoe vaak ze in veertien dagen hardop had gezegd dat het niets voorstelde, en dat getal overtuigde haar sneller dan welk compliment ook.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands
Română