Twee kandidaten voor een functie waarin het bedrijfsbudget wordt beheerd vullen dezelfde vijffactorenvragenlijst in en komen er vrijwel niet van elkaar te onderscheiden uit. Beiden gemiddeld extravert, beiden bovengemiddeld conscientieus, beiden rustig, beiden aangenaam in de omgang.
Een jaar later blijkt er een verschil dat op papier niet stond. Daan geeft het geld dat niet is opgemaakt terug aan het budget, ook al had hij het onopgemerkt via zijn eigen afdeling kunnen rondsturen. Bram laat zich in stilte een commissie toeschuiven door een leverancier die hij zelf heeft aanbevolen en vertelt het aan niemand. De vragenlijst heeft dat verschil niet voorspeld. Niet omdat het een slechte vragenlijst was, maar omdat zo'n eigenschap er helemaal niet in werd gemeten.
Precies om dat gat draait de discussie tussen de twee meest gebruikte wetenschappelijke persoonlijkheidsmodellen. Het ene beschrijft vijf factoren, het andere zes. En de zesde is de reden dat vergelijken zin heeft.
Dezelfde methode, een ander aantal factoren
Beide modellen staan op dezelfde gedachte en dezelfde statistiek. Die gedachte heet de lexicale hypothese: wat aan mensen belangrijk genoeg is om door hun omgeving opgemerkt te worden, krijgt vroeg of laat een woord in de taal. Wie wil weten waarin mensen verschillen, kan dus bij het woordenboek beginnen.
De procedure die volgt is saai en juist daarom betrouwbaar. Uit de taal worden alle bijvoeglijke naamwoorden gehaald die een mens beschrijven, honderden mensen beoordelen die woorden op zichzelf of op bekenden, en de factoranalyse rekent uit welke woorden bij elkaar horen. Niemand bepaalt vooraf hoeveel groepen eruit moeten komen. Er komen er zoveel uit als er in de data zitten.
Op Engelse woordenlijsten leverde deze procedure keer op keer vijf factoren op (Goldberg, 1990; Costa en McCrae, 1992), en daaruit werd de standaard die je nu kent onder de afkorting OCEAN. Wat elk van die vijf schalen bevat, werkt het stuk uit over wat het Big Five-persoonlijkheidsmodel is.
De Canadese psychologen Michael Ashton en Kibeom Lee deden rond de eeuwwisseling iets dat op het eerste gezicht niets bijzonders lijkt: ze lieten dezelfde procedure lopen op andere talen. Op Koreaans, Italiaans, Hongaars, Pools, Nederlands, Frans, Duits. En uit de data kwamen telkens zes groepen in plaats van vijf.
Hier zit het verrassendste deel van het hele verhaal. De zesde factor verscheen niet omdat Koreanen of Hongaren andere mensen zouden zijn dan Amerikanen. Hij verscheen omdat elke lijst met bijvoeglijke naamwoorden slechts een steekproef uit een taal is, en de Engelse lijsten waarop het vijffactorenmodel groeide bevatten weinig woorden uit één bepaalde familie. Het model mat toen niet de wereld. Het mat het woordenboek dat het als invoer kreeg.
De zesde factor: eerlijkheid-bescheidenheid
Die woordfamilie ziet er zo uit: oprecht, integer, fair, bescheiden, weinig eisend aan de ene kant; gehaaid, berekenend, hebberig, zelfvoldaan aan de andere. In het zesfactorenmodel werd het een eigen schaal, eerlijkheid-bescheidenheid, aangeduid met de letter H.
De schaal omvat vier dingen: of iemand open speelt ook wanneer een leugen onopgemerkt zou blijven, hoeveel moeite hij ermee heeft om voordeel te halen ten koste van een ander, hoe sterk bezit en luxe aan hem trekken en in welke mate hij zichzelf ziet als iemand aan wie simpelweg meer toekomt dan aan de rest.
De naam van de schaal nodigt uit tot een misverstand. Bescheidenheid betekent hier geen schuchterheid en geen onderschatting van eigen kunnen. Iemand met een hoge H kan een zelfbewuste vakspecialist zijn die precies weet wat hij waard is en daar alleen geen recht op speciale behandeling uit afleidt. En omgekeerd: een lage H gaat vaak samen met veel charme, want wie anderen wil overtuigen moet in de eerste plaats prettig zijn. Oneerlijkheid zit in de data zelden naast onvriendelijkheid.
In het vijffactorenmodel ontbreekt deze inhoud niet helemaal. Hij lost op. Een deel van de fairness en van de weerzin om anderen te gebruiken valt onder vriendelijkheid, een deel van het regels volgen onder conscientieusheid, en de rest verspreidt zich zo dat het niet meer als één getal te lezen is. Precies daarom kan Bram uit het begin volstrekt onopvallend uit een vijffactorenprofiel komen. Hij is georganiseerd, prettig, rustig. De schaal waarop hij zou afwijken zit er niet in.
Een lage H betekent daarbij geen fraudeur. Hij beschrijft een neiging, geen daad, en in het dagelijks leven laat hij zich veel gewoner zien: relaties worden gelezen als een ruil, status en zichtbare beloningen wegen zwaarder, en een regel voelt als een hindernis die je kunt omzeilen wanneer het uitkomt en niemand kijkt. De schaal wordt uitgebreid behandeld in het stuk over wat factor H betekent.
Emotionaliteit is niet hetzelfde als neuroticisme
Het tweede verschil is subtieler en verrast zelfs mensen die beide modellen kennen. De letter E in het zesfactorenmodel betekent niet hetzelfde als de N in het vijffactorenmodel, ook al draaien beide schalen om emoties.
Neuroticisme is de gevoeligheid voor negatieve emoties in het algemeen: angst, verdriet, prikkelbaarheid, woede, wisselende stemmingen. HEXACO heeft dat pakket losgeknoopt. Emotionaliteit houdt de vrees, de bezorgdheid, de behoefte aan steun bij naasten en de gevoeligheid voor hun leed. Woede zit er niet in.
Wat er wel in zit, moet je in neuroticisme niet zoeken: de band met anderen. Hoge emotionaliteit beschrijft iemand die vreest voor de mensen om wie hij geeft en iemand nodig heeft om op te leunen. Dat is geen synoniem voor emotionele instabiliteit, ook al wordt de uitslag vaak zo gelezen.
Neem twee collega's. Sanne is twee dagen vooraf al bang voor een presentatie, slaapt de nacht ervoor niet en moet, voordat ze de zaal binnenloopt, horen dat het goed gaat komen. Marieke leidt hetzelfde evenement zonder met haar ogen te knipperen, maar als er in de discussie een domme opmerking valt, maakt ze de vragensteller zo hard af dat niemand het voor hem opneemt. Een vijffactorenvragenlijst geeft ze beiden een hoog neuroticisme. In het zesfactorenmodel heeft Sanne een hoge emotionaliteit en Marieke een lage vriendelijkheid.
Haal er nu eens iemand bij die je ooit overgevoelig hebt genoemd. Ging het om iemand die snel schrikt en dingen persoonlijk neemt, of om degene die ontploft zodra iets hem niet bevalt? Op vijf schalen komen ze op dezelfde plek terecht. Op zes ergens heel anders.
Waar de woede is gebleven
Het antwoord op die vraag is tegelijk het derde verschil. In HEXACO is de woede verhuisd naar vriendelijkheid, preciezer naar het onderste eind daarvan.
Vriendelijkheid betekent hier verdraagzaamheid: het vermogen om te vergeven, iets te laten rusten, in te stemmen met een compromis, niet terug te slaan. Wie op deze schaal laag zit, houdt wrok langer vast, bekritiseert hard, geeft met tegenzin toe en wordt snel kwaad. Waar het vijffactorenmodel een kort lontje boekt als emotionele instabiliteit, leest het zesfactorenmodel het als het onvermogen om anderen te verdragen.
Het gevolg is praktisch. Twee mensen met een even hoog neuroticisme kunnen volstrekt verschillende collega's zijn. De een trekt zich in een conflict terug en speelt het 's nachts nog eens terug, de ander ontsteekt het en begrijpt de volgende morgen niet waarom iedereen hem scheef aankijkt. Zes schalen halen die twee uit elkaar, vijf laten ze bij elkaar.
Een kaart tussen de twee modellen
De tabel laat zien waar elke vijffactorendimensie in het zesfactorenmodel naartoe schuift. Het zijn geen gelijkheidstekens, eerder een indicatieve toewijzing van de naaste tegenhanger.
| Factor in de Big Five | Naaste tegenhanger in HEXACO | Wat er verschoof |
|---|---|---|
| Openheid (O) | Openheid (O) | Praktisch dezelfde inhoud: nieuwsgierigheid, voorstellingsvermogen, zin in het ongewone. |
| Conscientieusheid (C) | Conscientieusheid (C) | Nabije schalen. De bereidheid om regels ook zonder toezicht te volgen hoort in HEXACO eerder bij H. |
| Extraversie (E) | Extraversie (X) | De strakste overeenkomst van de zes. X draagt zelfvertrouwen tussen mensen iets sterker. |
| Vriendelijkheid (A) | Vriendelijkheid (A) plus een deel van H | Vergeven en verdraagzaamheid blijven in A; fairness en de weerzin om anderen te gebruiken gaan naar H. |
| Neuroticisme (N) | Emotionaliteit (E) plus het omgekeerde deel van A | Vrees en angst horen bij E, woede en prikkelbaarheid bij een lage A. |
| zonder tegenhanger | Eerlijkheid-bescheidenheid (H) | In het vijffactorenmodel lost de schaal op tussen vriendelijkheid en conscientieusheid en wordt ze niet apart gemeten. |
Uit de tabel blijkt dat het verschil tussen vijf en zes niet alleen over één getal extra gaat. Drie factoren blijven praktisch ongewijzigd, er komt één bij en twee worden anders ingedeeld. Wie dus beide tests doet en de uitslagen vergelijkt, zou een heel vergelijkbare openheid, conscientieusheid en extraversie moeten krijgen, terwijl de cijfers bij emoties en vriendelijkheid rustig kunnen verschillen. Dat is geen meetfout, alleen een andere grens tussen de schalen.
Het is goed om te weten dat geen van beide modellen eindigt bij zijn zes of vijf getallen. Elke factor valt verder uiteen in smallere trekken, en pas daar blijkt waarom twee mensen met dezelfde score anders leven. Twee even hoge scores op conscientieusheid kunnen de ene keer op ordelijkheid en precisie staan, de andere keer op werklust en volhouden. Wie op de grove factoren beslist, leest koppen in plaats van het artikel.
Wat de zesde factor toevoegt
Over het nut van een nieuwe factor beslist één vraag: leren we er iets uit wat de vijf schalen niet oppikken? Bij eerlijkheid-bescheidenheid valt het antwoord bevestigend uit.
Het werk van Ashton en Lee en het onderzoek daarna verbinden een lage H met de neiging om een regel te omzeilen wanneer het uitkomt, met de bereidheid anderen te manipuleren en met gedrag dat op het werk de werkgever schaadt, van klein misbruik van middelen tot ernstiger fraude. De schaal overlapt bovendien flink met de trekken die de duistere triade worden genoemd, het meest met machiavellisme.
Laten we het wel bij de grond houden. Het gaat om statistische verbanden over duizenden mensen, niet om een voorspelling voor een specifiek iemand; elke vergelijking van dit soort is indicatief. Een persoonlijkheidsschaal beschrijft een neiging, geen daad, en de verschillen binnen groepen zijn meestal groter dan die tussen groepen. Op H hoort niemand te beslissen of een kandidaat wordt aangenomen, of een verdenking tegen een collega te bevestigen. Nuttig is de schaal anders: ze helpt te begrijpen waarom de samenwerking met iemand niet klikt die prettig en betrouwbaar overkomt en na elk gesprek toch een vreemd gevoel achterlaat.
Wanneer je naar welk model grijpt
De Big Five heeft zin als algemene kaart. In tientallen jaren zijn er onvergelijkbaar meer studies, normen en afgeleide instrumenten rond dit model verzameld, dus als je een uitslag wilt die je naast de literatuur of naast een andere vragenlijst kunt leggen, zijn vijf factoren de veilige keuze. Het past ook wanneer je vooral wilt weten hoe je onder stress standhoudt, want neuroticisme antwoordt op die vraag rechtstreekser: het houdt angst en woede op één schaal. Onze Big Five-test werkt met vijftig items uit de publieke itembank IPIP.
Het zesfactorenmodel betaalt zich uit op het moment dat vertrouwen op het spel staat. Typisch:
- Functies waarin zonder toezicht over geld, toegangen of bevoegdheden wordt beslist.
- Wanneer in een team de regels herhaaldelijk worden opgerekt, maar niemand als de schuldige overkomt.
- Zelfkennis, op het moment dat je omgeving je vertelt dat je harder optreedt dan je zelf toegeeft.
Die laatste reden is meestal de meest voorkomende en klinkt eenvoudig: je liep bij een vijffactorenuitslag weg met het gevoel dat er iets wezenlijks miste, alleen kon je het niet benoemen. De zesde schaal is vaak precies dat ontbrekende woord.
Onze HEXACO-test heeft zestig vragen en kost ongeveer acht minuten. Naast de zes scores toont hij ook een indicatieve vergelijking met een vijffactorenprofiel, zodat je uit de uitslag ziet waar de twee modellen elkaar raken en waar ze uiteenlopen. Wat de afzonderlijke schalen in de praktijk betekenen, vat het stuk samen over wat HEXACO is.
Geen van de twee is de winnaar
De strijd om vijf of zes factoren is een legitiem wetenschappelijk debat, geen merkengevecht. De aanhangers van vijf voeren de zuinigheid van het model aan en de berg data die in decennia is verzameld. De aanhangers van zes voeren de replicatie in verschillende talen aan en het feit dat de zesde schaal gedrag verklaart waar vijffactorenprofielen langs schieten. Beide kampen hebben data, beide publiceren en geen van de twee beweert dat de ander onzin meet.
Het praktische verschil is bovendien kleiner dan het uit het academische debat lijkt. Beide modellen werken met schalen en niet met types, dus ze stoppen je nergens in een hokje en geen enkel getal erin is beter dan een ander. Beide gaan uit van zelfrapportage, wat betekent dat ze eerder meten hoe je jezelf ziet dan hoe je je gedraagt, en beide zijn te vertekenen wanneer iemand een vragenlijst voor andermans ogen invult. En beide verliezen hun zin op het moment dat een beschrijving een vonnis wordt.
Probeer nu een kleine test zonder vragenlijst. Schrijf drie mensen op die je het afgelopen jaar hebben teleurgesteld, en bij elk één zin over wat ze concreet deden. “Hij maakte niet af wat hij had beloofd” wijst op conscientieusheid. “Ze ontplofte om een kleinigheid” wijst op vriendelijkheid. “Hij wist dat hij me ermee zou schaden en deed het toch, omdat het hem uitkwam” past bij geen van beide. Die zin beschrijft de zesde schaal, en in een vijffactorenprofiel vind je hem niet.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands