Sem is drie en heeft zijn eigen grap. Hij gaat midden in de woonkamer staan, verkondigt dat een banaan een schoen is en gaat van het lachen op de grond zitten. Marije lacht de eerste keer mee, knikt bij de tiende keer alleen nog en telt bij de twintigste in stilte af hoelang deze fase duurt.
Toch doet Sem iets wat behoorlijk lastig is. Om een regel te breken moet je hem eerst kennen: hij weet wat een banaan is, hij weet wat een schoen is, en hij gooit die twee expres door elkaar om te zien wat er gebeurt. De eerste grappen van een kind zijn nog geen gevoel voor humor. Ze zijn een test van waar de dingen ophouden die kloppen.
Van kiekeboe tot ironie duurt ongeveer tien jaar
De Amerikaanse psycholoog Paul McGhee beschreef de ontwikkeling van kinderhumor als een reeks fasen waarin niet de hoeveelheid gelach verandert, maar de aanleiding. De allerkleinsten lachen om beweging en verrassing, kleuters om onzin, schoolkinderen om dubbelzinnige woorden en pas pubers om wat iemand zegt zonder het te menen. De leeftijden zijn indicatief en kinderen slaan ze in beide richtingen over, maar de volgorde blijkt onverwacht stabiel.
Kiekeboe, het verstoppen achter je handen, is de eerste grappige situatie in het leven van de meeste mensen. Het werkt op spanning en veiligheid tegelijk: het kind weet niet wanneer het gezicht terugkomt, maar vermoedt wel dat het terugkomt. Wordt dat bevestigd, dan valt de spanning weg en komt er gelach uit. Blijf je een paar tellen te lang weg, dan kantelt de lol in huilen. De grens tussen grap en schrik is al op anderhalf jaar dun.
| Indicatieve leeftijd | Waar het kind om lacht | Wat het daarmee leert |
|---|---|---|
| Tot een jaar | Kietelen, kiekeboe, overdreven gezichten en geluiden. | Dat verrassing veilig kan zijn en dat er een signaal bestaat dat zegt “dit is spel”. |
| Ongeveer 1-2 jaar | Expres verkeerd omgaan met spullen: een kam tegen het oor in plaats van een telefoon. | Dat een regel met opzet te breken is en dat die overtreding publiek heeft. |
| Ongeveer 2-4 jaar | Onzinnige namen en onmogelijke plaatjes. Een koe die blaft. Een banaan die een schoen is. | Dat het woord en het ding niet hetzelfde zijn en van elkaar los te weken zijn. |
| Ongeveer 4-6 jaar | Rijmpjes, verzonnen woorden, wc-woordenschat, eindeloze variaties op hetzelfde. | Dat taal speelgoed is en dat sommige woorden macht hebben over volwassenen. |
| Schoolleeftijd | Raadsels, woordgrappen, moppen met een echte clou. | Dat één woord twee dingen tegelijk kan betekenen en dat je dat expres kunt verwarren. |
| Vanaf een jaar of tien | Ironie, sarcasme, opmerkingen ten koste van een ander, gedeelde grappen binnen de groep. | Dat niet alleen telt wat iemand zei, maar ook wat hij ermee bedoelde. |
Bijzonder is de fase waarin een kind de vorm van een grap eerder beheerst dan de inhoud. Een vijfjarige kondigt aan dat hij een mop gaat vertellen, zet de juiste toon op, last een pauze in op de juiste plek, en de clou luidt: en toen viel hij in de soep. Daarna schiet hij zelf in de lach en wacht af. Hij haalt niets door elkaar. Hij oefent de choreografie van het vertellen, die in een groep kinderen veel eerder van pas komt dan het vermogen om een dubbelzinnigheid te bouwen.
Het praktischste gevolg zit aan het eind van die reeks. Ironie komt als laatste, rijpt de hele basisschool door en bij sommigen nog in de puberteit. De zin “dat heb je knap bedacht” boven een plas gemorst sap komt bij een vijfjarige daarom niet aan als overdrijving. Hij hoort of een compliment dat hij niet snapt, of een toon die pijn doet. Sarcasme van een ouder is bij kleine kinderen niet hard. Het is onleesbaar, en het kind neemt er de slechtste helft van mee.
Waarom dezelfde grap vijftig keer
Als Sem voor de vijftigste keer met de banaan aankomt, is dat geen provocatie en geen geduldproef. Herhaling is voor een klein kind een manier van leren. Elke herhaling is eigenlijk een vraag: geldt dit nog, en valt de reactie hetzelfde uit? De voorspelbaarheid die een volwassene verveelt, is voor een driejarige een bron van zekerheid: hij controleert of de wereld betrouwbaar werkt.
De andere helft van het antwoord is sociaal. Robert Provine vatte in zijn boek Laughter (2000) observaties van gewone gesprekken samen, en daaruit kwam dat gelach ongeveer dertig keer waarschijnlijker is in gezelschap dan alleen, en dat het meeste gelach niet op een grap volgt maar op een volstrekt alledaagse zin. We lachen vooral omdat er iemand bij is. Sem test dus niet de grap. Hij test de verbinding met jou.
Weet je nog wanneer je voor het laatst hardop lachte in je eentje in een lege kamer? De meeste mensen hebben even nodig voor een antwoord, en dat is precies het mechanisme dat bij kinderen op volle sterkte draait.
Daar zit voor ouders een opluchting in. Je hoeft niet elke keer te lachen, en gespeeld gelach heeft een kind toch door, want het leest toon eerder dan woorden. Iets anders werkt wel: de grap verder duwen. Als Marije antwoordt met de keer dat zij een broodje op haar hoofd zette, krijgt Sem een nieuwe variatie en gaat zijn spel een stap verder in plaats van een twintigste ronde op dezelfde plek.
Wc-humor en waarom verbieden niet helpt
Ergens tussen drie en zes komt de fase die ouders betrouwbaar op de kast jaagt. Het kind ontdekt woorden als poep, plas en billen en merkt dat ze werken als een schakelaar. Het zegt er een aan tafel en er gebeurt iets groots. Iemand lacht, iemand anders verheft zijn stem. In elk geval reageert de tafel.
Wezenlijk is dat het kind geen idee heeft waarom die woorden taboe zijn. De inhoud interesseert het niet, de kracht wel. En omdat een sterke reactie een beloning is, versterkt een hard verbod dit soort humor meestal: het bevestigt dat het woord werkelijk de macht heeft waarvoor het de moeite waard was om het uit te spreken.
Een regel van plaats en moment werkt beter. Aan tafel en bij oma niet, op het schoolplein gerust. Het kind hoort dan niet dat zijn grap slecht is, maar dat verschillende plekken verschillende regels hebben, precies de vaardigheid die het zijn leven lang nodig heeft. Nul reactie helpt als het kind je wil opjutten: zonder brandstof dooft het motief vanzelf uit. En net als de fases ervoor gaat ook deze voorbij, meestal ergens rond groep 3.
Plagen tussen broers en zussen: wanneer je het laat gaan
Dacher Keltner beschreef met zijn medewerkers in 2001 plagen als een sociaal spel met regels. Tussen mensen die elkaar vertrouwen versterkt het de band, want het zegt “dit kan ik me bij jou permitteren en het is nog steeds goed”. Zonder dat vertrouwen kwetst dezelfde zin. Broers en zussen zijn het eerste laboratorium voor dat verschil, en het wordt geoefend doordat er af en toe iemand doorschiet.
De meeste plagerij thuis heeft daarom geen ingrijpen nodig. Je herkent het aan meerdere dingen tegelijk:
- de rollen wisselen, het mikpunt is nu de een en straks de ander
- ze lachen allebei, niet alleen degene die de grap maakt
- zegt de een stop, dan houdt de ander op en plakt er geen laatste keer achteraan
- het onderwerp verschuift, het draait niet steeds om hetzelfde
Ingrijpen loont als een van die kenmerken ontbreekt. Het sterkste alarmsignaal is een vast mikpunt: het is altijd hetzelfde kind dat het krijgt en het onderwerp herhaalt zich, meestal het gevoeligste dat ze van elkaar weten. Gewicht, bril, cijfers, bang zijn in het donker. Het tweede signaal is gelach aan één kant: de ander trekt of geen gezicht of lacht met een paar tellen vertraging. Waar de grens tussen lol en kleineren precies loopt, gaat de tekst over plagen of pesten uitgebreider op in.
Bij het ingrijpen helpt één andere formulering. Probeer in plaats van “doe niet zo gemeen” het effect te benoemen: “je ziet toch dat ze niet meer lacht.” De eerste zin veroordeelt het kind, de tweede leert het de ander lezen, en dat is precies de vaardigheid waarvoor het de moeite waard is om plagen te laten bestaan. Ook loont het om thuis een woord af te spreken waarna het altijd stopt, zonder onderhandeling en zonder spot voor wie het gebruikt.
Thuis leer je ten koste van wie er gelachen wordt
Rod Martin en zijn collega's beschreven in 2003 een model van vier humorstijlen langs twee assen: of de toon vriendelijk of scherp is, en of de humor op anderen mikt of op jezelf. Daaruit komen de verbindende, de zelfversterkende, de scherpe en de zelfspottende stijl, en omdat beide assen onafhankelijk zijn, is niemand alleen maar één ervan. Het overzicht van de vier humorstijlen gaat er in detail op in.
Kinderen nemen van huis uit geen grappen mee. Ze nemen de afstelling van die assen mee. Wordt er in een gezin vooral gelachen om het samen prettig te maken, dan houdt een kind dat voor de uitgangstoestand. Wordt er thuis het vaakst gelachen om de buren, om collega's of om wie net een fout maakte, dan leert het dat een grap een manier is om iemand op zijn plaats te zetten.
Het minst opvallend is het zelfspottende deel. Een ouder die regelmatig over zichzelf praat als een kluns met een zeef in plaats van een hoofd, bedoelt het als bescheidenheid. Het kind leest er echter een handleiding uit voor hoe je over jezelf praat. Onderzoek naar humorstijlen zegt eerlijk dat de vriendelijke registers samengaan met beter welbevinden en het zelfspottende met slechter, maar het gaat om samenhang en niet om een oorzaak, en één zelfspottende opmerking aan tafel is niet iets om te overschatten. Het verschil zit erin of het kruiderij is of hoofdgerecht.
Geen van de vier stijlen is intussen een fout die je bij jezelf zou moeten wegwerken. Een scherpe opmerking heeft in een gezin net zo goed een plaats als vriendelijke verlichting, het is alleen goed om te weten welk register je kind het vaakst van jou heeft opgevangen. Een humorstijl is een gewoonte en geen vonnis over je karakter, en met een gewoonte valt te werken.
De klassenclown heeft voordelen en een rekening
Vroeg of laat komt van school het bericht dat jouw kind de klas vermaakt. Die rol is geen gebrek en geen prijs. Het is een werkende sociale strategie met meetbaar rendement: een kind dat de klas aan het lachen krijgt, wint status zonder de beste in rekenen te hoeven zijn. Bovendien leert het de stemming van een groep lezen, want anders zouden de grappen niet aankomen.
De rekening komt van twee kanten. De eerste is hoe kleverig de rol wordt: zodra iedereen een oneliner van je verwacht, komt een serieuze zin er moeilijker uit en past verdriet er nauwelijks in. De andere kant is de school, die verstoring ziet en geen vaardigheid, zodat het kind regelmatig hoort dat het beste wat het kan een probleem is.
Soms zit er nog iets onder. Als een kind vooral zichzelf raakt, kan dat een manier zijn om de spot van anderen voor te zijn: wie het mikpunt zelf kiest, laat dat niet aan een ander over. Dat verdient aandacht, geen preek. De rol opheffen heeft geen zin, een tweede plek toevoegen wel, waar het kind status haalt uit iets anders, uit een club of een groep buiten de klas.
En omdat het voorbeeld dat een kind afkijkt aan dezelfde tafel zit, is het zinnig om eerst naar jezelf te kijken. Houvast over welk van de vier registers bij jou thuis overheerst geeft een korte humorstijlen test, die naar alledaagse situaties vraagt en een paar minuten kost.
Als Sem de volgende keer verkondigt dat een banaan een schoen is, is één detail het opmerken waard. Hij kijkt daarbij niet naar de banaan. Hij kijkt naar Marije.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands
Română