De Amerikaanse journalist Norman Cousins liet zich in de jaren zestig een filmprojector en een kist met komedies naar zijn ziekenhuiskamer brengen. Hij lag daar met een ontstekingsziekte van de wervelkolom, met pijn die zo hevig was dat hij zich niet op zijn zij kon draaien, en met vooruitzichten die hij zelf beroerd noemde. Toen viel hem iets op dat hem meer boeide dan al het andere op die afdeling: na tien minuten stevig lachen sliep hij twee uur zonder pijn.
Hij schreef er een boek over. Anatomy of an Illness verscheen in 1979 en werd een bestseller, en samen met dat boek ging er een zin de wereld in die sindsdien iedereen kent: lachen is het beste medicijn. Cousins kwam uit zijn ziekte, zijn verhaal werd de stichtingslegende van een heel vakgebied, en de vraag wat ervan overeind blijft hing daarna nog veertig jaar in de lucht.
Waarom het verhaal van Cousins geen bewijs is
Het was één patiënt die zichzelf beschreef. Dat alleen al zou tot voorzichtigheid manen, maar er is meer. Cousins kreeg tegelijkertijd hoge doses vitamine C via een infuus, hij verhuisde van het ziekenhuis naar een hotelkamer waar niemand hem om zes uur 's ochtends wekte om te temperaturen, en voor het eerst in lange tijd had hij het gevoel dat hij over zijn eigen behandeling ging. Wat daarvan het werk deed, valt achteraf niet uit elkaar te trekken.
Daar komt een ongemakkelijke eigenschap van die ziekte bij: bij een deel van de mensen zakt ze vanzelf weg en niemand weet goed waarom. Maak van zo'n geval een methode en je krijgt precies het soort verhaal dat eindeloos geciteerd en nooit gecontroleerd kan worden. Cousins zelf heeft overigens nooit beweerd dat komedies genezen. Hij schreef over zijn eigen aandeel in de behandeling, over hoop, en over het idee dat een patiënt meer is dan een lichaam in een bed. De kortsluiting “lachen geneest” is door het publiek gemaakt.
Een stichtingslegende is een prima begin van een gesprek. Het antwoord op de vraag wat lachen echt met het lichaam doet, moet ergens anders vandaan komen.
Wat er in je lichaam gebeurt terwijl je lacht
Lachen is in de eerste plaats een ademverschijnsel. Op één teug lucht perst je lichaam een reeks korte, regelmatige uitademingen naar buiten, en daartussen adem je praktisch niet. Het middenrif, de spieren tussen de ribben en de buikwand doen allemaal mee, en dat is de reden dat je buik na een lange lachbui op vrijwel dezelfde manier zeer doet als na een serie buikspieroefeningen.
Tijdens het lachen zelf gaan hartslag en bloeddruk even omhoog. Interessanter is wat daarna komt: in de minuten na het uitdoven zakken ze allebei een stuk onder de uitgangswaarde en laat de spierspanning los. Dat is meetbaar en dat is echt. Het is tegelijk van korte duur, in de orde van minuten tot enkele tientallen minuten, en de omvang van die verschuiving is klein.
De ademhaling is een tweede blik waard. Tijdens een lachbui adem je in de gebruikelijke zin niet, je perst alleen de laatste lucht eruit, en als het voorbij is moet er een diepe teug volgen. Juist die afgedwongen diepe inademing met een trage uitademing is de meest waarschijnlijke kandidaat voor de rustige periode die na het lachen aanbreekt. Alleen: langzaam ademen zonder ook maar één grap krijgt dat net zo goed voor elkaar.
Ongeveer hetzelfde geldt voor de calorieën, waar de meeste onzin omheen circuleert. Metingen suggereren dat tien minuten lachen enkele tot enkele tientallen calorieën meer kost dan stil zitten. Dat is niet nul, maar het is zeker geen uur in de sportschool, en niemand is ooit afgevallen van het lachen.
Een nuchtere samenvatting van de fysiologie klinkt zo: voor je lichaam lijkt lachen op een korte, milde inspanning gevolgd door een moment van loslaten. Als dat alles was, hield dit stuk hier op. Alleen liggen de interessantste cijfers niet in de longen.
Wat fatsoenlijk onderbouwd is
De bescheidenste beweringen staan het stevigst. Het onmiddellijke effect op de stemming is herhaalbaar en verrast niemand: na een lachbui rapporteren mensen minder spanning, en dat is keer op keer te meten. Het gaat niet diep en het houdt de avond niet. Maar het klopt.
Meteen hoort erbij wat “fatsoenlijk onderbouwd” op dit terrein betekent. We praten over laboratoriumproeven met enkele tientallen mensen, vaak studenten, waarbij een venster van een paar minuten tot een uur na het kijken naar iets grappigs wordt gemeten. Zo'n opzet vangt een onmiddellijke verandering betrouwbaar op. Over wat er over vijf jaar met iemand aan de hand is, zegt hij niets, en dat zou ook niemand ervan moeten vragen.
Aanzienlijk interessanter is een bevinding van Robin Dunbar en zijn team uit 2011. Mensen die in een groep samen hadden gelachen, verdroegen daarna een hogere mate van een onaangename prikkel dan mensen die naar iets neutraals hadden gekeken. Hun pijndrempel was met andere woorden gestegen. De verklaring wijst richting endorfines, oftewel het eigen dempingssysteem van het lichaam, dat ook door hardlopen of koorzang wordt aangezet.
Van farmacologie was daarbij geen sprake. Dunbar wilde weten wat mensen in groepen aan elkaar bindt nu we geen tijd hebben om bij elkaar de vacht na te vlooien zoals apen dat doen. Gedeeld lachen is volgens hem het goedkope alternatief: het kost een paar seconden, het werkt op meerdere mensen tegelijk en het laat een goed gevoel over de ander achter. De verhoogde pijndrempel is een bijproduct, geen doel.
Het sleutelwoord in dat experiment is “samen”. Het ging om echt, aanstekelijk lachen in een groep, niet om een beleefde glimlach voor een scherm. En daarmee komen we bij een feit dat de meeste mensen verrast: lachen is in gezelschap ongeveer dertig keer waarschijnlijker dan alleen, en maar een minderheid ervan volgt op een grap. Robert Provine kwam daarachter door jarenlang te luisteren wanneer mensen op straat lachen, en schreef het op in een boek uit 2000. Dat mechanisme wordt uitgebreider uit elkaar gehaald in het stuk over waarom we eigenlijk lachen.
Waar de legende de data voorbijgroeide
Hier een eerlijke verdeling van de meestgehoorde beweringen naar wat ervan overblijft:
| Wat er gezegd wordt | Wat ervan overblijft |
|---|---|
| Lachen geneest ziektes | Er bestaat geen studie waarin komedies het beloop van een ernstige ziekte hebben verkort. Onderbouwd zijn veranderingen in spanning en stemming, niet het beloop van een ziekte. |
| Lachen versterkt de afweer | Een paar experimenten vonden na het lachen een kortdurende verschuiving in afweermarkers in het bloed. Een verschuiving in een marker is alleen niet hetzelfde als minder ziek worden, en dat tweede is niet onderbouwd. |
| Lachen verlengt het leven | Dit steunt op verbanden tussen opgewektheid en levensduur die ongelijkmatig uitvallen en soms zelfs andersom dan je zou verwachten. De richting van de oorzaak lees je er niet uit af. |
| Lachen verlaagt de bloeddruk | Kort na het lachen daalt hij inderdaad. Enkele tientallen minuten later is hij terug. Met de behandeling van hoge bloeddruk heeft dat niets te maken. |
| Lachen is net sporten | Qua ademhaling en spierwerk lijkt het van een afstand op sport. Het traint noch de bloedsomloop, noch het uithoudingsvermogen. |
Achter de meeste opgeblazen koppen zit één val, die omgekeerde oorzakelijkheid heet. Vraag je af wie er veel lacht. Iemand die iemand heeft om mee te lachen, die op dit moment geen pijn heeft, die slaapt en die niet in zijn eentje in een flat zit. Als data dus laten zien dat mensen die meer lachen gezonder zijn, kan dat betekenen dat lachen gezondheid maakt. Of dat gezondheid lachen maakt. De meeste studies kunnen die twee niet uit elkaar halen.
Tel daarbij op hoe lachen gemeten wordt. De gebruikelijke vragenlijstvraag luidt zoiets als “hoe vaak lach je”, alleen tellen mensen hun lachbuien niet. Ze antwoorden op basis van hoe ze zich hun stemming van de afgelopen week herinneren. Wat je meet lijkt daarmee meer op een herinnering aan welbevinden dan op lachen.
Een studie die de vraag zou sluiten, zou er ongeveer zo uit moeten zien: je neemt duizend vergelijkbare mensen, wijst via loting de ene helft tien jaar leven met veel lachen toe en de andere helft tien jaar zonder, en vergelijkt daarna. Dat experiment gaat niemand ooit uitvoeren, want lachen valt niet uit te delen als een tabletje en het iemand tien jaar onthouden zou geen commissie goedkeuren. Wat overblijft zijn vragenlijsten en korte laboratoriumproeven, en dat is precies het zekerheidsniveau waar we het bij dit onderwerp mee moeten doen.
Lachyoga zonder aureool
Annemieke gaat op donderdagavond naar het buurthuis voor lachyoga. Het is een groepsoefening die halverwege de jaren negentig in India is ontstaan en op een simpel idee rust: lachen kan ook met opzet, zonder grappen, als ademoefening. Achttien mensen staan in een kring, klappen, ademen en dwingen zichzelf tot een “ha ha ha” tot het omslaat in echt lachen. Annemieke zegt dat de eerste tien minuten gênant zijn en daarna niet meer.
Haar zwager Wim heeft er een half jaar de spot mee gedreven, tot hij een keer meeging. Hij kwam thuis met de mededeling dat het precies zo raar was als hij had verwacht, en toch gaat hij sindsdien terug. Dat is een aardige beschrijving van wat we over deze methode voorlopig weten.
Studies ernaar zijn meestal klein, kort en lastig van een controlegroep te voorzien. Je praat iemand moeilijk aan dat hij zojuist niet gelachen heeft. Wat herhaaldelijk opduikt, is een betere stemming direct na de les. Wat niet opduikt, is iets wat in de buurt komt van een geneeskrachtige werking.
De waarschijnlijkste verklaring is saai en tegelijk wezenlijk. De werkzame stof is vermoedelijk niet het middenrif, maar het feit dat achttien mensen elkaar elke donderdag om zes uur zien, met elkaar praten en samen naar de bushalte lopen. Lachtherapie werkt daarmee vooral als gezelschapstherapie. Dat is geen diskwalificatie, want juist het sociale deel is van dit hele onderwerp het best onderbouwde.
Met wie, niet waarom
Wim kijkt dezelfde comedyserie in zijn eentje op zijn laptop en lacht een hele aflevering lang geen enkele keer. In de keuken bij Annemieke haalt diezelfde aflevering de helft niet, omdat er voortdurend iemand iemand zit te pesten. Identieke inhoud, onvergelijkbare uitkomst.
Het praktische gevolg is onverwacht concreet. Als je besluit dat je meer wilt lachen, grijp je meestal naar een lijstje films. Nuttiger is het om naar je agenda te grijpen. Wanneer heb je voor het laatst zo gelachen dat je buik er zeer van deed? En was er iemand bij, of gebeurde het in bed met je telefoon?
Bij de meeste mensen versmalt dat antwoord tot twee of drie specifieke personen en één situatie die terugkeert. De een gaat alleen echt onderuit bij het vrijdagse biertje. De ander aan de telefoon met een zus, of bij de eeuwige klacht van een collega aan het koffieapparaat. Als zo'n venster uit de week verdwijnt, is het meestal niet verdwenen omdat het leven ophield grappig te zijn. Het is verdwenen omdat die afspraak, dat telefoontje of die pauze eruit viel.
Hoe je lacht speelt ook mee. Rod Martin en zijn team beschreven in 2003 vier humorstijlen, ingedeeld naar de vraag of de grap goedmoedig of scherp is en of hij op anderen of op jezelf mikt. De verbindende registers hangen samen met beter welbevinden, zelfspot met slechter. Het zijn correlaties en geen oorzaken, en geen enkele stijl is een gebrek. Het lijkt eerder op een gewoonte, en gewoontes kun je bewust verschuiven. Een indruk van waar jouw grappen doorgaans landen geeft een korte humorstijlentest.
De nuttigste manier om naar lachen te kijken is niet als medicijn maar als thermometer. Lach je in een bepaalde periode nauwelijks, dan geneest die informatie niets, maar wijst ze tamelijk precies naar de staat waarin je op dat moment verkeert. Op zo'n moment een komedie opzetten is als op de thermometer blazen. Annemieke en Wim bellen is iets anders.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands
Română