Wanneer heb je voor het laatst hardop gelachen, in je eentje? Geen glimlach bij een filmpje op je telefoon, maar echt hardop, in een lege kamer en zonder getuigen. De meesten vissen langer in hun geheugen dan ze hadden verwacht.
De psycholoog Robert Provine keerde de kijk op lachen al om door de plek waar hij het wilde onderzoeken. In plaats van naar een laboratorium stuurde hij zijn team naar winkelcentra, universiteitsgangen en cafés om te noteren wie er lachte, wanneer en waarna. De resultaten vatte hij in 2000 samen in het boek Laughter, en één getal is het onthouden waard: in gezelschap is lachen ongeveer dertig keer waarschijnlijker dan alleen.
Lachen hoort niet bij de grappen, maar bij de zinnen ertussen
De tweede bevinding is nog vreemder. Het team van Provine legde meer dan duizend situaties vast waarin iemand lachte, en noteerde er telkens de zin bij die eraan voorafging. Grappen, oneliners en anekdotes vormden een minderheid. Verreweg het meeste gelach volgde op gewone opmerkingen in de trant van “tot ziens dan maar”, “kennen wij elkaar?” of “ja hoor, dat zal hem zijn”.
Bram en Femke komen op vrijdagochtend op dezelfde seconde bij de lift aan, allebei met een beker koffie. Femke zegt “was jij ook al zo vroeg wakker?” en ze lachen allebei. Niemand heeft iets grappigs gezegd. Toch staat dat gelach er niet toevallig: zonder die lach zou de zin als een verwijt klinken.
Uit dezelfde waarnemingen kwam nog een regelmaat naar voren. Lachen springt in gesproken taal bijna nooit midden in een zin. Het komt aan het eind, op de plekken waar in geschreven tekst een komma of een punt zou staan, alsof het in het gesprek een eigen gereserveerde plek in de rij heeft. Praten en lachen concurreren dus niet, ze wisselen elkaar af.
Kijk je zo naar lachen, dan houdt het op een reactie op humor te zijn en wordt het een gespreksinstrument. Een signaal dat hier niets verdedigd hoeft te worden en dat jullie verder kunnen. Onderzoek suggereert bovendien dat de verteller daarbij vaker lacht dan de mensen die naar hem luisteren. Als lachen een maat was voor hoe grappig een zin was, zou dat nergens op slaan.
In diezelfde categorie valt wat iedereen opvalt die weleens met zijn leidinggevende vergaderde. Om de opmerking van degene die in de kamer beslist lacht bijna iedereen, om dezelfde opmerking van de nieuwe collega bijna niemand. Lachen meet hier geen humor, het meet verhoudingen.
Wat er ondertussen in het lichaam gebeurt
Lachen begint als een onderbroken uitademing. Het middenrif en de spieren tussen de ribben persen de lucht in korte porties naar buiten en de stembanden geven elke portie geluid, waardoor een reeks lettergrepen ontstaat die elkaar sneller opvolgen dan je bewust zou kunnen herhalen. Daarom is lachen zo slecht na te doen. Gewone spraak heeft een andere motor.
De rest van het lichaam sluit zich aan. Hartslag en bloeddruk gaan omhoog, de spieren van gezicht en buik doen mee, en bij een harde lach lopen de ogen vol en zakt de spierspanning zo ver dat je ergens tegenaan moet leunen. Als het wegebt volgt een dip onder het beginniveau, dat slappe moment waarop niemand zin heeft om van zijn stoel te komen.
De regie over die reeks zit niet op één plek. Bij hersenoperaties bracht prikkeling van een bepaald gebiedje in de frontale kwab herhaaldelijk een lach op gang terwijl er niets te lachen viel, waarna de patiënt er meteen zelf een reden bij verzon: het schilderij aan de muur zou grappig zijn geweest, of het gezicht van de arts. Het lichaam lachte eerst, de verklaring kwam er achteraan.
Het interessantste stuk leverde de antropoloog Robin Dunbar met zijn collega's in 2011. Ze lieten mensen ofwel een grappige video ofwel een neutrale documentaire kijken, één keer alleen en één keer in een groep, en maten voor en na hoeveel ongemak ze konden verdragen. Wie samen had gelachen hield het langer vol. De verklaring wijst richting endorfine, oftewel de eigen chemie waarmee het lichaam pijn dempt en die ook het gevoel van nabijheid begeleidt.
Van daaruit is het een kleine stap naar het idee dat lachen geneest. Zo eenvoudig is het niet, en het verschil tussen wat aangetoond is en wat verzonnen is haalt een aparte tekst uit elkaar over hoe lachen en gezondheid samenhangen. Voor dit artikel volstaat een bescheidener aantekening: het effect dook op bij gedeeld gelach, niet bij lachen in je eentje.
Waarom lachen aanstekelijk is
Het geluid van lachen gedraagt zich in de hersenen niet als een gewoon geluid. Hoor je het, dan worden naast de gehoorgebieden ook de motorische gebieden actief die de gezichtsspieren aansturen, alsof het lichaam zich opmaakt om mee te doen. Vandaar dat ongemakkelijke moment waarop een groepje studenten in de tram in de lach schiet en jouw mondhoek meetrekt terwijl je geen idee hebt waarom.
De televisie maakt daar al decennia gebruik van. Een lachband onder een sitcom werkt zelfs bij een zwak sketchje, en onderzoek laat keer op keer zien dat kijkers hetzelfde materiaal grappiger vinden als er gelach onder loopt. Het is niet zo dat de opname hen ergens van overtuigt. Ze krijgen alleen het signaal dat anderen lachen, en het lichaam gehoorzaamt dat eerder dan het verstand.
De besmetting heeft ook een vorm waarbij niemand op het idee zou komen te lachen. In 1962 verspreidden lachbuien zich op een meisjesschool in het toenmalige Tanganyika zo ver dat de school enkele weken dichtging en de aanvallen oversloegen naar de omliggende dorpen. Vrolijk was er niets aan. Het was de massale reactie van een gespannen gemeenschap.
De overdracht heeft een eigen regel. Een groep komt makkelijker op gang als het eerste geluid van iemand komt die de anderen serieus nemen, en blijft omgekeerd stil als op dezelfde plek een buitenstaander lacht. Lachen verspreidt zich langs dezelfde lijnen als vertrouwen, dus aan wie meedoet en wie niet valt zonder één woord al aardig wat over een groep af te lezen.
In het klein maak je dat mee op een uitvaart, bij een tentamen of in een vastgelopen vergadering, waar het genoeg is dat één iemand proest en het is gebeurd. Lachen verspreidt zich op zo'n moment niet omdat de situatie belachelijk is, maar omdat de groep de spanning eruit moet laten, en lachen is het snelste ventiel binnen handbereik.
Echt lachen en dat andere
Dat lachen te veinzen is, weet iedereen. Interessanter is waarom het maar half lukt. De Franse arts Guillaume Duchenne prikkelde in de negentiende eeuw gezichtsspieren met elektroden en beschreef dat achter een werkelijk blije uitdrukking twee verschillende spiergroepen zitten: de ene tilt de mondhoeken op, de andere trekt de omgeving van de ogen samen. De eerste luistert naar de wil, de tweede doet op commando maar moeizaam mee. Paul Ekman pakte dat honderd jaar later op en de term duchenneglimlach raakte ingeburgerd.
| Echte lach | Beleefdheidslach | |
|---|---|---|
| Gezicht | De oogomgeving doet mee, de wangen gaan omhoog en bij de buitenste ooghoeken verschijnen rimpeltjes. | Vooral de mond werkt, de ogen blijven rustig. |
| Geluid en adem | Stemhebbend en langer, met een onregelmatige uitloop en een extra ademteug. | Korter, zachter, vaak nasaal, met een schoon begin en einde. |
| Timing | Schiet eruit zonder nadenken, soms voordat de ander is uitgesproken. | Komt met een kleine vertraging, precies aan het eind van andermans zin. |
| Waar het voor dient | Ontlading en samen delen, even geen controle over je eigen gezicht. | Smeermiddel van het gesprek: instemming, beleefdheid, niemand willen ophouden. |
De beleefdheidslach verdient daarbij geen minachting en ook geen aanhalingstekens. Het is een volwaardig sociaal instrument waarmee je laat merken dat jullie aan dezelfde kant staan, en wie hem nooit gebruikt komt op zijn omgeving afstandelijk over. Het verschil tussen de twee ligt ergens anders: de ene ontstaat, de andere wordt verstuurd.
Het bij anderen ontcijferen is gladder dan het lijkt, en er komt zelden iets bruikbaars uit. Interessanter is de wending naar jezelf: wanneer lachte jij voor het laatst puur om het gesprek door te laten lopen? Zo'n lach merk je bijna nooit op, omdat hij geen energie kost, en precies daarin zit zijn werk.
Het oor schat het beter in dan het oog. Op geluid onderscheiden mensen gespeeld gelach verrassend vaak van spontaan gelach, al lukt het niet elke keer, en het gaat het best bij mensen die ze goed kennen. Femke hoort door de telefoon of Bram om haar lacht of om het gesprek een zetje te geven.
Waarom je jezelf niet kunt kietelen
Probeer nu eens met je vingers zo langs je eigen zij te gaan dat je in de lach schiet. Dat lukt niet, en de hersenen zijn daar heel concreet debet aan. De kleine hersenen berekenen bij elke eigen beweging van tevoren welke gewaarwording die zal veroorzaken, en dempen die voorspelde gewaarwording, zodat je in de vloed van signalen uit je eigen lichaam kunt herkennen wat er van buiten komt. Je eigen hand kan je in principe niet verrassen.
Kietelen heeft daarom een tweede persoon nodig, en dan nog iemand die je vertrouwt. Een vreemde hand of een slecht humeur maakt er binnen een seconde iets vervelends van. Juist die voorwaarde is de aanwijzing naar waar lachen waarschijnlijk vandaan komt.
Een speelsignaal dat ouder is dan spraak
Bij chimpansees en andere mensapen klinkt tijdens ruiger spel, achtervolgingen en nepgevechten een eigenaardig hijgerig gepuf. Het klinkt anders dan menselijk gelach, maar het duikt op in precies dezelfde situaties: wanneer twee dieren voor de vorm op elkaar afgaan. Dat geluid draagt één boodschap. Dit is geen aanval, dit is spel.
Dat het om uitrusting gaat en niet om een aangeleerde gewoonte, verraden kinderen. Ze beginnen ergens rond de derde of vierde maand te lachen, ruim voor het eerste woord, en ook kinderen die doof en blind geboren zijn lachen, dus ze kunnen het van niemand hebben afgekeken. Praten leren we jarenlang. Lachen kunnen we voordat we iets kunnen zeggen.
Lachen als veiligheidssignaal verklaart een hoop kleinigheden die anders nergens op slaan. Waarom we uitbarsten als iemand struikelt en meteen weer opstaat. Of waarom een groep na een afgewend akkefietje harder lacht dan na een goed vertelde mop. Tussen mensen bij wie je je niet op je gemak voelt lacht juist bijna niemand, ook al vallen er precies dezelfde grappen.
Blijft de vraag waar deze tekst tot nu toe omheen liep. Als het meeste gelach niet op humor mikt, waarin verschillen mensen die anders lachen dan van elkaar? Zoek het antwoord niet in wat wie grappig vindt, maar in waar iemand humor voor gebruikt. De een verbindt er mensen mee, de ander houdt er zijn eigen ellende mee op afstand, een derde prikt graag even en een vierde maakt zichzelf tot mikpunt. Die verdeling in vier standen beschreef in 2003 het team van psycholoog Rod Martin, en uitgeschreven vind je haar in het overzicht van humorstijlen.
Geen van die standen is beter of slechter. Het zijn gewoontes, geen vonnissen, en ze verschuiven met wie er bij je aan tafel zit. Welke jouw lach het vaakst in gang zet, geeft de korte humorstijlentest aan; neem de uitkomst als startpunt voor je eigen observatie en niet als etiket.
En nog iets om mee naar huis te nemen. Let morgen de hele dag op waar je werkelijk om lacht en noteer het met een woord of twee in je telefoon. Loop de lijst 's avonds langs en tel hoe vaak er een grap op staat. Bij dat getal haken de meeste mensen even af en lezen ze nog eens terug wat ze de hele dag hebben opgeschreven.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands
Română