Zonder registratie

Ontdek in 5 minuten wat voor persoonlijkheid je bent en welk beroep bij je past

Ontdek in 5 minuten wat voor persoonlijkheid je bent.

Klaar in een paar minuten · 19 tests op één plek

Klaar in een paar minuten · 19 tests op één plek

Startpagina / Gids / Persoonlijkheid en zelfkennis / Temperament en de Big Five: wat de vier typen verzwijgen
Persoonlijkheid en zelfkennis

Temperament en de Big Five: wat de vier typen verzwijgen

Eysencks twee assen tegenover vijf dimensies. Waar de klassieke temperamenten kloppen, waar ze te grof zijn en waarom ze toch hebben overleefd.

Aan het eind van een bedrijfsworkshop lezen achttien mensen elkaars uitslagen voor. Bij twee van hen kwam melancholisch uit. De een is boekhoudster, ze heeft haar begrotingen drie dagen voor de deadline klaar en haar agenda staat vol gekleurde blokken. De ander is vormgever, hij levert in de nacht voor de deadline, vergeet twee keer per jaar een factuur en pakt zijn werk alleen weer op als iets hem grijpt.

Ze kregen hetzelfde etiket en hebben bijna niets gemeen. Toch is dat geen fout van de test. De antieke typologie werkt namelijk met twee van de vijf eigenschappen die de psychologie tegenwoordig meet, en de resterende drie laat ze volledig open.

De twee lijnen van Eysenck

Hans Eysenck deed in de jaren vijftig en zestig iets met de vier temperamenten waar Galenus niet op was gekomen. Het interesseerde hem niet of er lichaamssappen achter het karakter zaten. Wat hem wel interesseerde, was hoeveel onafhankelijke eigenschappen we nodig hebben om de verschillen tussen mensen te beschrijven, en uit zijn analyses kwamen er twee.

De eerste is extraversie. Die beschrijft waar je aandacht heen gaat en waar je je energie vandaan haalt: of gezelschap je oplaadt of leegzuigt, hoe snel je in actie komt en hoeveel prikkels je om je heen nodig hebt om je goed te voelen.

De tweede is neuroticisme, oftewel emotionele reactiviteit. Die zegt niet of je somber bent. Die zegt hoe sterk en hoe lang iets vervelends je van je stuk brengt. Aan het ene uiteinde van de schaal staat het stabiele type dat kritiek uit een overleg voor de lunch alweer kwijt is, aan het andere uiteinde degene die dezelfde zin vrijdagavond nog afspeelt.

Kruis je die twee lijnen, dan ontstaan er vier kwadranten en daarin zitten de vier klassieke temperamenten. Sanguinisch is de stabiele extravert, cholerisch de labiele extravert, flegmatisch de stabiele introvert en melancholisch de labiele introvert. Het woord labiel is hier een technische term voor een hogere reactiviteit, geen diagnose en ook niets wat je als gebrek zou moeten lezen.

Eysenck beriep zich daarbij zelf op de oude Grieken en tekende in zijn boeken de vier temperamenten expliciet in een cirkel rond beide assen. Het ging hem niet om eerbied voor de traditie. Hij redeneerde dat er achter het verschil tussen introvert en extravert iets lichamelijks zit, namelijk een verschillende mate van prikkelbaarheid van het zenuwstelsel: wie een hoger basisniveau heeft, heeft minder prikkels van buiten nodig voordat het genoeg is. De details van die hypothese heeft later onderzoek herschreven, maar de twee dimensies zelf bleven overeind.

De geschiedenis van die vier namen, van Hippocrates (rond 400 voor Christus) tot Galenus, die ze zes eeuwen later doopte, beschrijft het overzicht van de vier temperamenten. Eysencks bijdrage was dat hij in plaats van vier hokjes twee doorlopende schalen aanbood. Daarop kan iemand overal staan, ook precies in het midden.

Van twee dimensies naar vijf

De volgende generatie onderzoekers ging een andere weg. Lewis Goldberg (1990) bouwde voort op de lexicale hypothese: wat in de verschillen tussen mensen belangrijk is, heeft de taal een naam gegeven, dus het volstaat om alle bijvoeglijke naamwoorden te verzamelen waarmee we mensen beschrijven en te kijken welke daarvan samen optreden. Paul Costa en Robert McCrae werkten in de jaren tachtig de meetkant van de zaak uit.

Uit die analyses kwamen telkens vijf dimensies in plaats van twee. Extraversie en neuroticisme bleven, en er kwamen openheid voor ervaring, zorgvuldigheid en vriendelijkheid bij. Dit vijffactorenmodel wordt vandaag gebruikt als gemeenschappelijke taal om persoonlijkheid te beschrijven, en zijn belangrijkste verdienste is saai maar wezenlijk: het komt in verschillende talen en culturen steeds hetzelfde uit.

Wat meten die drie nieuwe dimensies? Openheid voor ervaring beschrijft de zin in het nieuwe en het ongebruikelijke, van reizen tot abstracte ideeën. Zorgvuldigheid gaat over orde, plannen en dingen afmaken. En vriendelijkheid zegt of je in een conflict instinctief naar overeenstemming zoekt, of dat je je eigen weg gaat, ook als dat iemand tegen de haren in strijkt.

Terug naar de boekhoudster en de vormgever van de workshop. Ze kunnen allebei labiele introverten zijn, dus vallen ze allebei in de melancholische hoek. Ze verschillen in zorgvuldigheid, en die zit simpelweg niet in het antieke systeem. Interessant is dat juist zorgvuldigheid volgens de meta-analyse van Barrick en Mount (1991) hoort bij de beste persoonlijkheidsvoorspellers van werkprestaties, dwars door beroepen heen. De vier temperamenten zeggen er niets over.

De kaart: temperament en zijn profiel in de Big Five

De tabel laat zien hoe de vier temperamenten eruitzien vertaald naar de taal van de vijf factoren. Het gaat om een indicatieve omzetting, niet om een gelijkstelling.

Temperament Kwadrant bij Eysenck Indicatief profiel in de Big Five
Sanguinisch stabiele extravert hoge extraversie, laag neuroticisme
Cholerisch labiele extravert hoge extraversie, hoger neuroticisme, vaak lagere vriendelijkheid
Flegmatisch stabiele introvert lagere extraversie, laag neuroticisme, vaak hogere vriendelijkheid
Melancholisch labiele introvert lagere extraversie, hoger neuroticisme

Let op de lege plekken. Openheid voor ervaring komt in de tabel geen enkele keer voor en zorgvuldigheid ook niet, omdat ze op geen enkele manier voortvloeien uit Eysencks twee assen. De opmerkingen over vriendelijkheid bij het cholerische en het flegmatische type gaan al verder dan het oorspronkelijke model en komen eerder uit waarnemingen van hoe die typen zich in de praktijk laten beschrijven.

Dat er tussen de klassieke temperamenten en het vijffactorenmodel een meetbare relatie bestaat, bevestigde ook het werk dat Strelau en Zawadzki (1995) publiceerden. De verbanden komen vooral naar voren bij extraversie en emotionele reactiviteit, wat overeenkomt met wat de oude artsen al opmerkten. Bij de resterende drie dimensies heeft de antieke typologie simpelweg niets om zich aan vast te houden.

Wat de typologie verzwijgt

De eerste versimpeling is dat dimensies doorlopend zijn, terwijl een type een hokje is. Verdeel je mensen in introverten en extraverten, dan ontstaat de indruk van twee groepen. In werkelijkheid houden de meeste mensen zich rond het midden van beide schalen op, dus de talrijkste groep is de tamelijk oninteressante groep van mensen die half het een en half het ander zijn.

Daaruit volgt het tweede probleem. Bij iemand dicht bij het midden beslissen een paar punten verschil over het uiteindelijke etiket, en dat verschil kan verschuiven al naar gelang je de test invult na een goed weekend of op dinsdag na een ruzie. Hoe verder van het midden, hoe stabieler het resultaat. Dat is trouwens de reden dat mensen met een uitgesproken profiel de beschrijving van hun type zo treffend vinden, terwijl de rest zijn hoofd schudt.

Het derde punt is dat de hele beschrijving in waarschijnlijkheden spreekt. De zin “melancholische mensen zijn nauwgezet” betekent in de data ongeveer dat je in de melancholische hoek iets meer nauwgezette mensen aantreft. Het betekent niet dat die ene melancholische bekende van jou ooit iets op tijd heeft ingeleverd.

Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Bij een ontwikkelteam komen twee mensen binnen en bij allebei komt flegmatisch uit. De eerste blijft rustig omdat niets hem van zijn stuk brengt, en houdt daarbij een uitgebreide takenlijst bij, dus op hem kun je tot in de puntjes rekenen. De tweede komt even rustig over, alleen komt zijn evenwicht voort uit het feit dat deadlines hem niet belangrijk lijken. De leidinggevende die ze allebei hetzelfde aanstuurt, staat bij de tweede binnen een maand voor verrassingen. Het verschil tussen hen ligt niet in het temperament, maar in zorgvuldigheid, die geen van de vier antieke beschrijvingen dekt.

Stel je nu eens de tien mensen voor die je het beste kent. Hoeveel van hen zou je moeiteloos in een van de vier hokjes kunnen plaatsen? De meeste mensen komen uit op ongeveer de helft, en dat is een eerlijke schatting van het onderscheidend vermogen van het hele systeem.

Waarom de typen toch hebben overleefd

Als alleen precisie over nut besliste, waren de vier temperamenten ergens in de jaren tachtig verdwenen. Ze verdwenen niet, en daarachter zit een eigenschap die de psychometrie niet meet: begrijpelijkheid.

Zeg “dat is een typisch cholerisch type” en iedereen aan tafel ziet meteen concreet gedrag voor zich. Probeer hetzelfde met de zin “hoge extraversie, hoger neuroticisme, lagere vriendelijkheid” en de halve ruimte haakt af bij het tweede woord. Een type werkt als een naam waarmee je in een gewoon gesprek uit de voeten kunt, terwijl vijf getallen in percentielen gereedschap zijn voor iemand die ermee kan omgaan.

Het tweede voordeel is dat een typologie de hele mens in één keer beschrijft. Het vijffactorenmodel geeft je vijf onafhankelijke gegevens en het geheel moet je zelf in elkaar zetten. De vier temperamenten dragen die combinatie al in zich, en voeg je aan de primaire component een inslag toe, dan krijg je zestien profielen die ook de tegenstrijdigheden binnen één mens dekken. Hoe twee componenten elkaar overstemmen, laat het overzicht van temperamentcombinaties zien.

En ten derde: een type onthoud je. Vijf getallen uit een vragenlijst ben je binnen een maand vergeten, maar dat je flegmatisch met cholerische inslag bent, weet je een jaar later nog, wanneer iemand in een overleg je weer om een snelle beslissing vraagt.

Hoe je beide samen leest

Het verstandigst is om temperament te zien als de toegangspoort en het vijffactorenmodel als de gedetailleerde kaart. De temperamenttest telt 24 vragen en kost ongeveer vier minuten; het resultaat is het primaire temperament, de inslag en een notitie over de component die bij jou het laagst uitkwam. Je kunt het lezen als een naam voor wat je allang aan jezelf waarneemt.

Wil je de diepte in, dan laat de Big Five-test je positie zien op vijf onafhankelijke schalen, inclusief de drie waarover de antieke typologie zwijgt. Juist daar zit het verschil tussen de boekhoudster en de vormgever uit het begin, want ze kunnen hetzelfde temperament hebben en tegelijk heel anders omgaan met deadlines, met regels en met nieuwe dingen.

Beide vergelijkingen zijn daarbij indicatief. Geen van beide tests is een diagnostisch instrument en geen van beide zegt waar je geschikt voor bent en waarvoor niet. Ze helpen eerder daar waar je wilt benoemen waarom een bepaald soort werk of een bepaald soort mensen je beter ligt dan andere. De concrete manier van observeren staat in het stuk over hoe je erachter komt welk temperament je hebt.

Eén ding aan de antieke typologie blijft ook na tweeduizend jaar opmerkelijk. Hippocrates en Galenus hadden geen statistiek, geen vragenlijsten en geen steekproeven van duizenden mensen. Ze hadden alleen jarenlange waarneming van patiënten, en toch raakten ze twee dimensies die in moderne analyses steevast als eerste opduiken. De resterende drie moesten nog twintig eeuwen op hun ontdekking wachten.

Aanbevolen test

Probeer: Temperamenttest

Ontdek meer over jezelf - de test is gratis en je resultaten zie je meteen.

Start de test

Meer artikelen in de categorie Persoonlijkheid en zelfkennis