Sanne moet haar werkstuk vrijdag om middernacht inleveren. De opdracht kreeg ze zeven weken geleden, ze opende het bestand drie keer, en haar eerste zin schrijft ze op donderdag om 22:40. Bijzonder is dat niet: volgens de meta-analyse van Piers Steel uit 2007 lopen de schattingen van hoeveel studenten hun studiewerk regelmatig uitstellen ergens tussen de tachtig en vijfennegentig procent.
Uitstelgedrag bij studenten is dus geen kwaal van een onhandige minderheid, maar het gedrag van de meerderheid. Interessanter dan die cijfers is de vraag waarom juist studeren het uitstellen zo in de kaart speelt. En wat je eraan kunt doen, behalve jezelf in mei de schuld geven.
Een probleem van de meerderheid waar alleen grappen over gaan
Studenten maken grappen over uitstellen, maar weinigen zien het als iets waar je aan kunt werken. Terwijl het verschil tussen “ik ben lui” en “ik ontwijk één specifiek onprettig gevoel” bepaalt of je überhaupt naar een oplossing gaat zoeken.
Uitstellen komt niet voort uit onwetendheid over wat je moet doen. Het komt voort uit de gedachte aan de taak die ergens op drukt: op verveling, op de angst voor een oordeel, of op het feit dat je telefoon meteen uitbetaalt en het studieboek pas over twee maanden. Door het vooruit te schuiven ben je dat gevoel even kwijt, en je brein onthoudt die opluchting uitstekend. Uitstelgedrag ligt daarom dichter bij emotieregulatie dan bij tijdsindeling.
Het vervelende eraan is dat uitstellen zichzelf voedt. Na een gemiste dag komt het schuldgevoel, dat schuldgevoel hecht zich aan het vak, en daardoor is het boek de volgende keer openslaan net iets naarder dan de vorige keer. Studenten mijden uiteindelijk niet alleen de stof, maar ook de herinnering aan hoe ze zich er de vorige keer bij voelden. Daarom worden uitgestelde vakken zo betrouwbaar opnieuw uitgesteld.
Wanneer ben je voor het laatst aan een grote opdracht begonnen voordat de deadline je erheen duwde? Als je geen concreet geval voor de geest kunt halen, ben je niet de enige. Het betekent alleen dat je vaste methode, “het komt wel goed”, nooit concurrentie heeft gehad.
Waarom de universiteit bijna een laboratorium voor uitstellen is
Als iemand een omgeving moest ontwerpen waarin uitstellen het makkelijkst gaat, kwam daar een universiteit uit. Deadlines liggen weken weg, niemand controleert het verloop, en vanuit vandaag bekeken zit er praktisch geen verschil tussen “vandaag leren” en “morgen leren”.
In een baan werkt een web van kleine verplichtingen: overleggen, een collega die op je stuk wacht, een leidinggevende die vraagt hoe ver je bent. Op de universiteit ontbreekt dat web. Tussen de opdracht en de inlevering zit meestal één controlepunt, en dat is het allerlaatste. De vrijheid waar een student aan het begin van het semester van geniet, is tegelijk een ruimte die door niets bij elkaar wordt gehouden.
Daar komt de aard van de beoordeling bij. Een tentamen of een scriptie beoordeelt niet hoe goed je stenen hebt gesjouwd. Het beoordeelt hoe goed je denkt, en dat is gevoeliger waar. Zodra het oordeel je hoofd raakt, groeit de kans dat je het begin vooruitschuift: zolang je niet begonnen bent, kun je ook niet afgaan.
Ook de vorm van een gewone studiedag speelt mee. Vrije gaten tussen colleges zien eruit als werktijd, maar in werkelijkheid zijn het stukken die vrijwel nooit ergens beginnen of eindigen. Negentig minuten in de kantine tussen twee blokken gaan op aan van alles, behalve aan het halve werkstuk, want de aanloop duurt langer dan het gat zelf.
Thijs beschreef het precies. Zolang hij zijn scriptie niet had geopend, was het nog steeds dat goede idee waar zijn begeleider hem bij het overleg voor had geprezen. De eerste geschreven pagina maakte er een tekst van die bekritiseerd kan worden.
Het studentensyndroom en de rekening ervan
De term studentensyndroom werd in 1997 populair gemaakt door Eliyahu Goldratt, en beschrijft iets simpels: krijg je speling voor een taak, dan gebeurt het werk alsnog in het laatst mogelijke stuk voor de deadline. De speling verdwijnt niet, ze schuift alleen tot vlak voor het inleveren.
De inspanningscurve van een gemiddeld werkstuk ziet er daarom niet uit als een rechte lijn. De eerste vijf weken ligt hij bijna op nul, daarna schiet hij verticaal omhoog. De adder onder het gras: in dat verticale stuk past niets meer van wat een opdracht doorgaans redt. Een bron opsporen die niet online staat, de tekst laten liggen, je begeleider vragen naar dat ene punt dat niet klopt.
Hoeveel dat regime kost, maten Dianne Tice en Roy Baumeister in 1997. Ze volgden studenten een semester lang en vonden twee resultaten die tegen elkaar in gaan. In het begin hadden de uitstellers minder stress dan de rest, uitstellen verlicht dus echt op de korte termijn. Tegen het einde van het semester draaide de verhouding om: meer stress, meer gezondheidsklachten en lagere cijfers.
Achter die curve zit één inschatting die we vrijwel allemaal verkeerd maken. We stellen ons de komende week leger voor dan hij zal blijken te zijn, want in dat beeld zitten geen ziektes, geen verzette afspraken en geen avond waarop het gewoon niet gaat. Vandaag zie je met alle obstakels erbij, de dag over een maand als een leeg bureau. Het besluit “ik doe het in het weekend” ontstaat dus uit een vergelijking van de werkelijkheid met een fictie.
Die studie is juist zo ongemakkelijk omdat beide helften kloppen. De opluchting die je in oktober voelt, is geen illusie. De rekening ervoor komt alleen in januari en valt meestal hoger uit dan het bespaarde bedrag.
Semester, tentamenperiode en scriptie vragen elk iets anders
Het advies “plan het in” helpt niet zolang je niet onderscheidt in welke situatie je eigenlijk zit. Het ene remt het leren gedurende het semester, het andere remt je tien dagen voor een tentamen, en iets heel anders remt een stuk werk met een eigen titel en jouw naam op de kaft.
Tijdens het semester
Het semester heeft een voordeel dat vrijwel niemand benut: je kunt er in kleine porties in werken. Zet in plaats van het voornemen “ik ga bijhouden” twee vaste blokken per week voor één specifiek vak in je agenda, het liefst meteen na het college, zolang de stof vers is. Een blok heeft een begin, een einde en één enkele taak.
Samen leren met iemand komt op de tweede plaats, en dat werkt beter dan het verdient. Niet om de gedeelde uitleg, maar om de afspraak: dinsdag om drie uur wacht er iemand op je in de bibliotheek, en dat is het enige doorlopende controlepunt dat een semester uit zichzelf oplevert. Sanne trok statistiek er zo bovenop, ook al ging de helft van de tijd op aan elkaar uitleggen wat geen van beiden begreep.
En ten derde: geef jezelf tussentijdse deadlines met een gevolg naar buiten toe. Je werkgroepdocent beloven dat je voor eind oktober de opzet van je werkstuk opstuurt, is een zwakkere verbintenis dan een contract, maar een veel sterkere dan een notitie in je telefoon.
In de tentamenperiode
De tentamenperiode beloont volgorde, geen ijver. Schrijf je in voor data voordat je je voorbereid voelt, want een ingeplande datum is de enige structuur die je in die weken van buitenaf bereikt. Zet de vakken daarna op volgorde van hoe eng je ze vindt en plaats het engste in het midden. Zeker niet aan het eind.
Ook een eerste snelle doorloop van de hele stof helpt, al is die oppervlakkig. De meeste studenten blijven hangen bij de eerste drie onderwerpen omdat ze die perfect willen kennen, en halen de rest de nacht ervoor in. Zodra je weet wat je te wachten staat, verdwijnt de mist waardoor je er niet aan wilt beginnen.
Let vooral op het overschrijven van aantekeningen. Het lijkt werk, maar in de tentamenperiode is het de meest voorkomende vorm van uitstel: de hand werkt, het hoofd rust, en 's avonds heb je het subjectieve gevoel van een dag boven de boeken.
Bij de scriptie
Een scriptie is een ander beest, want ze heeft geen natuurlijke stukken. “De scriptie schrijven” is een opdracht waar je niet aan kunt beginnen voordat je hem uit elkaar haalt. Opdelen in hoofdstukken met eigen deadlines, elk met een concreet resultaat en een datum, verandert een abstracte dreiging in een lijstje gewone taken.
Thijs kwam op gang op het moment dat hij zes regels opschreef: literatuuronderzoek voor 15 november, methode voor 5 december, dataverzameling in de kerstvakantie, enzovoort. De eerste twee deadlines haalde hij niet, de overige vier wel. Hij leverde een week eerder in, voor het eerst in zijn hele studie.
De tweede aanpak is ongemakkelijk en werkt van alles het beste: stuur je begeleider een halve, lelijke versie van een hoofdstuk voordat je zin hebt om iets te laten zien. Commentaar op een onaffe tekst doet minder pijn dan drie weken rondjes draaien om een leeg document.
Waar je een techniek op kiest
Technieken werken niet universeel, omdat uitstellen geen enkele oorzaak heeft. Praktischer dan zoeken naar “de juiste methode” is om drie bronnen te onderscheiden aan de hand van het gevoel dat je van het werk wegjaagt.
| Bron | Hoe het er bij studeren uitziet | Wat meestal helpt |
|---|---|---|
| Verveling en weerzin tegen de taak | Een studieboek waarbij je na de tweede alinea in slaap valt | Korte blokken met een timer, met z'n tweeën werken, saaie taken samengevoegd in één blok met een duidelijk einde |
| Faalangst en perfectionisme | Een scriptie die je pas wilt openen als je “er klaar voor bent” | Een bewust slechte eerste versie, halfaf werk laten zien, vooraf afspreken wat af betekent |
| Impulsiviteit en afleiding | Een telefoon naast je schrift en twintig open tabbladen | Telefoon in een andere kamer, siteblokkers, studeren buiten je eigen kamer |
Een en dezelfde student kan bij elk vak een andere bron hebben, dus het etiket “ik ben een uitsteller” verklaart weinig. De verschillen ertussen hebben we uitgebreider uitgewerkt in het stuk over soorten uitstelgedrag.
Weet je niet zeker welke bron bij jou overheerst, dan valt dat te meten. De uitstelgedrag-test telt 21 vragen, kost ongeveer drie minuten en onderscheidt precies die drie bronnen; de stellingen dekken zowel werk als studie. Het is een instrument voor zelfkennis, geen diagnose, maar bij het kiezen van een techniek bewijst het goede diensten.
Wanneer het niet meer over de tentamenperiode gaat
Eén uitgesteld werkstuk is geen reden tot zorg. Anders ligt het wanneer hetzelfde patroon jarenlang standhoudt en losstaand van de studie opduikt: onbetaalde rekeningen, onbeantwoorde mails, een doktersafspraak die maar blijft schuiven, een aanmeldformulier dat sinds februari in je tas zit.
Let meer op de gevolgen dan op het gedrag zelf. Mis je door uitstellen keer op keer kansen waar je aan hechtte? Ontwijk je mensen die vragen hoe ver je bent? Is de opluchting na het uitstellen gekrompen van een hele avond naar een paar minuten? Daarover schrijven we uitgebreider in het artikel over chronisch uitstelgedrag.
De grens tussen gewoon studentikoos uitstellen en een langdurig patroon loopt niet langs hoe vaak het gebeurt. Ze loopt langs de vraag of het ook gebeurt waar geen deadline en geen examinator is. Zit je boven een formulier dat niemand controleert en schuif je het de derde maand voor je uit, dan ligt het echt niet aan de universiteit.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands