Zonder registratie

Ontdek in 5 minuten wat voor persoonlijkheid je bent en welk beroep bij je past

Ontdek in 5 minuten wat voor persoonlijkheid je bent.

Klaar in een paar minuten · 24 tests op één plek

Klaar in een paar minuten · 24 tests op één plek

Startpagina / Gids / Psychologie en welzijn / Imposter-syndroom bij vrouwen: wat zegt het onderzoek
Psychologie en welzijn

Imposter-syndroom bij vrouwen: wat zegt het onderzoek

Beschreven bij succesvolle vrouwen. Hebben vrouwen er echt vaker last van? Wat recentere overzichten laten zien en waarom het niet om zelfvertrouwen gaat.

Sanne presenteert de kwartaalcijfers. Aan tafel zitten tien mensen, zij is de enige vrouw, en de stukken die ze zelf schreef heeft ze vooraf voor de vierde keer doorgenomen. Als de directeur haar voor de groep prijst, hoort ze zichzelf antwoorden dat de opdracht deze keer ongewoon helder was.

Niemand in die kamer is ooit op het idee gekomen dat zij daar niet hoort. De vraag loopt alleen in haar eigen hoofd, en hij loopt daar het derde jaar zachtjes mee. Sanne zou het gebrek aan zelfvertrouwen noemen, want zo wordt het meestal gebracht. Alleen klopt die verklaring niet met de data en evenmin met wat er in zo'n kamer werkelijk gebeurt.

Een beschrijving die bij succesvolle vrouwen begon

Het verschijnsel werd in 1978 beschreven door de psychologen Pauline Clance en Suzanne Imes. Ze werkten met studentes en met vrouwen uit de universitaire en zakelijke wereld, mensen die diploma's, publicaties en promoties achter zich hadden. Toch keerde bij hen dezelfde innerlijke zin terug: ze overschatten mij, en ooit komt uit hoe het werkelijk zit.

De steekproef was vrouwelijk en het etiket plakt sindsdien aan vrouwen. De auteurs wezen er later zelf op dat uit een vrouwelijke steekproef niet volgt dat het een vrouwenzaak is. De steekproef bepaalde waar de beschrijving geboren werd, niet van wie het verschijnsel is.

Het idee dat dit een vrouwenthema is ontstond eerder dan de data waaraan het te toetsen viel, en werd daarna nog veertig jaar vooral overeind gehouden door herhaling.

Hebben vrouwen het echt vaker?

De breedste samenvatting tot nu toe kwam in 2020 met een systematisch overzicht van 62 studies van het team van Bravata. De gerapporteerde prevalentie liep daarin van 9 tot 82 procent, afhankelijk van wie de studie bevroeg en waarmee ze mat. Die spreiding is op zichzelf al informatie: er wordt iets gemeten waarover het onderzoek het nog niet eens is waar het precies begint.

Over sekse geeft het overzicht een gemengd beeld. Een deel van de studies vond hogere scores bij vrouwen, een ander deel vond helemaal geen verschil. De zin “vrouwen hebben er meer last van” is dus niet onderbouwd, en dat er in het geheel geen verschil zou zijn evenmin.

Voor het uiteenlopen zijn meerdere redenen: de steekproef, de gebruikte vragenlijst en de grens waarboven een uitkomst als verhoogd telt. Alles berust bovendien op zelfrapportage, dus een deel van een eventueel verschil kan zitten in de bereidheid om dat over jezelf op te schrijven, en niet in wie het meemaakt.

Voorzichtigheid verdient ook het getal dat in teksten over dit onderwerp het vaakst rondgaat: dat ongeveer 70 procent van de mensen dit gevoel kent. Het duikt op in een overzichtsartikel van Sakulku en Alexander uit 2011 en staat daar geformuleerd als schatting, niet als meetresultaat.

De omgeving stuurt signalen over wie waar hoort

Interessanter dan de vraag naar sekse is die naar de kamer. Claude Steele en Joshua Aronson beschreven in 1995 een mechanisme dat bekendstaat als stereotypedreiging: werkt iemand aan een veeleisende taak in een situatie waarin over zijn groep de aanname van een zwakkere prestatie rondgaat, dan gaat een deel van de aandacht naar het bewaken van die aanname en zakt de prestatie. De oorspronkelijke studie ging over studenten over wier groep zo'n stereotype de ronde deed; later werk onderzocht hetzelfde mechanisme ook bij andere groepen en situaties.

Het praktische gevolg valt niet op. Het is niet zo dat iemand op dat moment iets slechts over zichzelf denkt: een stuk capaciteit gaat op aan bewaken hoe je overkomt, en bewaken is vermoeiend.

Voorzichtigheid heeft bovendien een vervelende eigenschap: ze bevestigt zichzelf. Wie zich drie keer zo grondig voorbereidt slaagt meestal, alleen gaat de verdienste dan naar de voorbereiding en niet naar het kunnen. De vrees komt daardoor nooit in een situatie waarin ze zou kunnen stranden, en de volgende vergelijkbare dag begint met dezelfde voorraad twijfel. Het patroon krimpt daarom niet met een promotie, eerder omgekeerd: hoe hoger, hoe meer mensen eromheen die eruitzien alsof ze er terecht zitten.

Daar komt de positie van enige van je soort in de kamer bij. Wie in een team de uitzondering is valt meer op, gaat minder makkelijk op in de achtergrond en ziet een aarzeling sneller gelezen worden als bewijs van iets groters dan één beroerde dag. Meer zichtbaarheid leidt op zichzelf al tot voorzichtiger gedrag: extra voorbereiding en zwijgen tot je het honderd procent zeker weet.

Dat het niet om sekse gaat, laat het omgekeerde geval het beste zien. Jeroen werkt als pedagogisch medewerker op een kinderdagverblijf en is de enige man in een team van veertien. Op ouderavonden bereidt hij zich beter voor dan zijn collega's, in teamoverleg zegt hij minder dan hij zou kunnen, en als ouders hem prijzen antwoordt hij dat het de verdienste van het hele team is. Ouders die hem niet kennen vragen hem af en toe waar de juf is.

Het verband tussen een minderheidspositie en dit soort gevoelens onderzocht Kevin Cokley met zijn team in 2013 bij studenten uit minderheidsgroepen: stress door die positie hing samen met die gevoelens. Beslissend is dus niet wie er in de kamer zit, maar hoeveel van dat soort er zijn.

Waarom de verklaring “vrouwen geloven minder in zichzelf” nergens toe leidt

Het eerste bezwaar is feitelijk. Was het een stabiele eigenschap, dan reisde ze overal met de persoon mee, en zo gedraagt ze zich niet. Dezelfde vrouw kan in het ene team zwijgen en in het andere als eerste spreken zonder dat ze tussendoor ook maar iets aan zichzelf gewerkt heeft. Twijfel beweegt sneller met de omgeving mee dan het karakter.

Het tweede bezwaar is praktisch. Ligt de oorzaak in te weinig zelfvertrouwen, dan luidt het enige beschikbare advies “geloof meer in jezelf”, en blijft al het werk liggen bij degene met de minste mogelijkheden om die kamer te veranderen. Het bedrijf, de school of het team komt er zonder opdracht uit.

Aandacht verdient ook het woord “syndroom”. Het klinkt als iets wat je hebt en wat te genezen valt, terwijl het een tamelijk gewone manier beschrijft waarop mensen hun eigen resultaten uitleggen. De naam verschoof het zwaartepunt naar binnen, en misschien blijven adviezen over dit thema daarom zo vaak steken bij ademhaling en affirmaties, terwijl de samenstelling van de kamer onaangeroerd blijft.

En dan is er een detail dat volledig verdwijnt. Sanne denkt niet dat ze slecht is in haar werk; ze weet dat ze de cijfers beter leest dan de meesten aan die tafel. De twijfel zit niet bij haar kunnen, maar tussen het resultaat en de uitleg ervan, dus in de vraag aan wie het resultaat uiteindelijk wordt toegeschreven.

Drie plekken waar de twijfel zich meldt

Het patroon valt in drie bronnen uiteen. Ze hangen samen, maar verschillen in waar ze precies in het denken stappen. Het stuk over wat het imposter-syndroom is neemt ze uitgebreid door; kort gezegd zien ze er zo uit.

Bron van de twijfel De zin in je hoofd Hoe het eruitziet waar jij de uitzondering bent
Bedriegersgevoel “Ze overschatten me, deze plek is van iemand die het beter kan.” Voorbereiding ver voorbij de opdracht en de vraag die je niet stelt, zodat het gat niet zichtbaar wordt.
Succes wegwuiven “Het stelde niets voor, dat had iedereen gekund.” Een compliment teruggekaatst met een toevoeging. Wat af is wordt nooit bijgeschreven, want de lat is intussen omhoog.
Geluk en omstandigheden “Ik had geluk met het moment en met het team.” Verdienste opgelost in anderen en een goede beoordeling gelezen als mildheid.

Welke van de drie het hardst spreekt verschilt per persoon, en dat volgt sekse lang niet zo recht als krantenkoppen suggereren. Wat in een omgeving waar jij de uitzondering bent betrouwbaar opduikt, is extra voorbereiding en voorzichtigheid met spreken. Waar dat allemaal in een werkweek bovenkomt neemt het aparte stuk door over hoe het imposter-syndroom op het werk eruitziet.

Je eigen bron van binnenuit inschatten is lastig: elke bron klinkt als een nuchtere beschrijving van de werkelijkheid en niet als een mening. Een globaal beeld geeft een korte oplichterssyndroomtest: die vraagt naar alledaagse situaties en laat zowel de totale mate van twijfel zien als welke bron bij jou het sterkst is. Neem hem als startpunt en niet als diagnose; het gaat niet om een stoornis en in de classificaties van psychische stoornissen komt dit verschijnsel niet voor.

Wat je in je eentje kunt doen

Het meeste bruikbare rust op één principe: een gevoel overtuig je niet met een gevoel, met aantekeningen op papier wel. Vier daarvan kosten een paar minuten per week.

  • Schrijf voor iets zwaars op hoe het volgens jou afloopt en waarom, en leg dat achteraf naast de werkelijkheid. Pakt het herhaaldelijk beter uit dan je dacht, dan heb je bewijs dat met geluk niet weg te praten valt.
  • Spreek vooraf een plafond voor je voorbereiding af en stop zodra het bereikt is. Voorbereiding daarboven tilt de kwaliteit niet meer op, ze sust alleen even de onzekerheid.
  • Antwoord op een compliment met één woord: dank je. Zonder toevoeging en zonder het meteen door te sturen naar het team.
  • Onuitgesproken twijfel groeit, uitgesproken twijfel krimpt. Kies één iemand uit je vak en beschrijf concreet waar je onzeker over bent; bijna altijd blijkt dat die hetzelfde van binnenuit kent.

Wanneer heb je voor het laatst een compliment laten staan zonder er iets aan toe te voegen? Niet beleefd aangenomen, maar er werkelijk niets achteraan gehangen. Weet je dat niet meer, dan heb je een tamelijk nauwkeurig gegeven over welke bron bij jou het hardst werkt.

Aparte aandacht verdient het vergelijken. In een kamer waar jij de uitzondering bent ligt het voor de hand je te meten met mensen van wie je het begin nooit gezien hebt, terwijl je eigen versie van een jaar geleden een bruikbaarder maatstaf is. Waarom de montage van een ander het altijd wint van je eigen achtergrond, neemt het stuk door over hoe jezelf vergelijken met anderen werkt.

Wat de omgeving kan doen

Een algemeen compliment praat je in een seconde weg, een concreet compliment veel moeilijker. De zin “goed werk” verdwijnt zonder nut, terwijl “die herberekening van de methodiek heb jij voorgesteld en die scheelde ons twee dagen” nergens heen kan. Voor leidinggevenden en collega's is dat de goedkoopste ingreep.

Het tweede is zichtbaarheid. Een mentor praat met je over wat je moet doen, maar wie het meest helpt is degene die jouw naam uitspreekt in een kamer waar jij niet bent. En laat waar het kan niemand achter als enige van zijn soort; twee mensen van dezelfde soort aan tafel zijn geen vertegenwoordigers van een groep meer, maar gewoon collega's.

Thuis lukt dit slechter dan op het werk, want de eerste reactie is meestal geruststellen, en dat werkt gegarandeerd niet. Wat in plaats daarvan wel helpt, beschrijft het stuk over iemand helpen met imposter-syndroom.

Een eerlijke aantekening tot slot. Duurt de twijfel maanden, kost hij je slaap of houdt hij je weg bij kansen waarvan je weet dat je ze aankunt, dan is zelfkennis alleen niet genoeg en is het de moeite waard het met een psycholoog door te nemen. Dat is geen nederlaag, alleen ander gereedschap voor een ander gewicht.

Voor het volgende overleg schreef Sanne twee zinnen op een blaadje: hoe het volgens haar zou aflopen en waardoor. Er stond dat ze naar de methodiek zouden vragen en dat zij zou haperen. Ze vroegen naar de methodiek en zij antwoordde. Het blaadje heeft ze bewaard, want over drie maanden klinkt die zin in haar hoofd precies hetzelfde en dan is het handig iets bij de hand te hebben dat het er niet mee eens is.

Aanbevolen test

Probeer: Oplichterssyndroomtest

Is jouw succes van jou? Totaalscore, zone en je belangrijkste bron van twijfel.

Start de test

Meer artikelen in de categorie Psychologie en welzijn

We gebruiken cookies

Noodzakelijke cookies zorgen voor inloggen en betalen. Met jouw toestemming meten we ook het bezoek, zodat we weten wat we kunnen verbeteren. Privacybeleid