Hoe vaak heb je jezelf beloofd dat je de volgende keer anders zou reageren, en liep die volgende keer precies hetzelfde af? Die ervaring zit achter de meeste vragen over het veranderen van je temperament, en het antwoord erop is niet “het kan” en ook niet “het kan niet”. Nauwkeuriger is om temperament in twee delen te splitsen, want het ene blijft je hele leven hetzelfde en het andere verschuift ook zonder dat je het merkt.
Psychologe Mary Rothbart vatte de vakinhoudelijke kijk op dat verschil het beste samen. Temperament bestaat volgens haar uit reactiviteit, dus wat er vanzelf in je losgaat, en zelfregulatie, dus het vermogen om die reactie af te remmen of een andere kant op te sturen. Reactiviteit ligt grotendeels vast. Zelfregulatie ontwikkelt zich vanaf jonge leeftijd door en valt op volwassen leeftijd gericht te trainen.
Wat tweelingonderzoek laat zien
De gedragsgenetica stelt een simpel geformuleerde vraag: in hoeverre zijn genen verantwoordelijk voor de verschillen tussen mensen en in hoeverre de omgeving? Het krachtigste instrument zijn tweelingen, vooral eeneiige tweelingen die apart zijn opgegroeid. Als twee mensen met dezelfde genetische aanleg ook na jaren in verschillende gezinnen op elkaar lijken, valt dat moeilijk aan de opvoeding toe te schrijven.
Thomas Bouchard en Matt McGue vatten die literatuur herhaaldelijk samen, onder meer in een overzicht uit 2003. Het resultaat is opmerkelijk stabiel over studies heen: ongeveer de helft van de verschillen tussen mensen in persoonlijkheidstrekken wordt verklaard door genen, de rest komt op het conto van de omgeving. En hier komt de eerste verrassing. De omgevingen die de doorslag geven, zijn meestal de zogeheten niet-gedeelde. Met andere woorden, broers en zussen die in hetzelfde huishouden opgroeien lijken niet veel meer op elkaar dan willekeurig gekozen mensen, zodra je de genen buiten beschouwing laat.
Hier hoort wel bij wat dat getal níét betekent, want juist daarop stranden de meeste discussies over erfelijkheid. Het is niet de bewering dat de helft van jouw karakter uit je genen komt en de andere helft uit je opvoeding. Erfelijkheidsgraad is een statistiek over een groep, niet over een individu: ze beschrijft welk deel van de verschillen tussen mensen in een bepaalde populatie samenhangt met genen. Over jou persoonlijk zegt ze helemaal niets en ze bepaalt niets vooraf. In een stabiele omgeving waar iedereen vergelijkbare omstandigheden heeft, stijgt die waarde zelfs, omdat de verschillen tussen mensen dan alleen nog uit hun aanleg te verklaren vallen.
Bij temperament in engere zin, dus bij tempo, prikkelbaarheid en emotionele reactiviteit, valt het erfelijke aandeel doorgaans hoger uit dan bij aangeleerde houdingen en waarden. Juist dat verschil is de reden dat de psychologie temperament en karakter apart beschrijft en dat met elk van beide anders wordt gewerkt. Uitgebreider staat dat in het stuk over het verschil tussen temperament, karakter en persoonlijkheid.
Een tweede steunpilaar is het werk van Jerome Kagan. Hij onderscheidde al bij baby's van vier maanden hoog- en laagreactieve kinderen naar de kracht waarmee ze op nieuwe prikkels reageerden, en volgde ze daarna jarenlang. Een hoge reactiviteit voorspelde terughoudendheid en voorzichtigheid op latere leeftijd, alleen niet zo rechtlijnig als je zou verwachten. Maar een deel van deze kinderen, ongeveer een derde, nam uitgesproken terughoudendheid mee naar de latere jaren. De rest bewoog zich ergens tussenin. Bijna niemand van hen kantelde echter naar het andere uiterste en werd een zorgeloos type dat nergens van opkijkt.
Persoonlijkheid rijpt, ook al merk je het niet
Naast erfelijkheid staat een tweede vraag: wat gebeurt er in de tijd met die trekken? Het antwoord kwam van een grote meta-analyse die Brent Roberts, Kate Walton en Wolfgang Viechtbauer in 2006 publiceerden. Ze namen tientallen langlopende studies door en volgden hoe de gemiddelde waarden van trekken met de leeftijd verschuiven.
Daaruit kwam een patroon dat het rijpingsprincipe wordt genoemd. Mensen winnen in de loop van hun volwassenheid gemiddeld aan emotionele stabiliteit, zorgvuldigheid en sociale dominantie. Openheid voor het nieuwe piekt eerder in de jonge volwassenheid en daalt op latere leeftijd licht. De veranderingen zijn niet dramatisch, maar ze gaan bij een groot deel van de bevolking wel dezelfde kant op, en het grootste stuk beweging valt in de periode tussen twintig en veertig.
Het betekent dat iemand met een explosief karakter op zijn vijftigste rustiger is dan op zijn vijfentwintigste. Alleen blijft hij nog steeds explosiever dan zijn leeftijdsgenoot die op zijn vijfentwintigste rustig was. De onderlinge volgorde tussen mensen houdt veel harder stand dan de absolute waarden, en hoe ouder je bent, hoe stabieler die is.
Achter die verschuiving zit daarbij niet de leeftijd zelf, maar de rollen waarin iemand terechtkomt. Wie werk heeft waarvoor hij verantwoordelijkheid draagt, of thuis iemand heeft die op hem rekent, krijgt dagelijks training in betrouwbaarheid en in het in toom houden van emoties. Het leven vraagt gedrag van je dat je eerder niet nodig had, en na een paar jaar herhaling wordt daar een eigenschap van.
En nu het tegenintuïtieve deel. Jonathan Quoidbach, Daniel Gilbert en Timothy Wilson publiceerden in 2013 in Science een onderzoek onder duizenden mensen en vonden bij hen een systematische denkfout. Deelnemers van elke leeftijd gaven aan dat ze de afgelopen tien jaar behoorlijk waren veranderd, maar dat ze de komende tien jaar maar weinig zouden veranderen. De auteurs noemen dat de illusie van het einde van de geschiedenis. Verandering herkennen we dus feilloos achteraf en we onderschatten haar net zo feilloos vooraf.
Wat niet te veranderen valt en wat wel
De scheidslijn is redelijk scherp zodra je je afvraagt op welk niveau je de vraag stelt. De basale reactiviteit blijft. De drempel waarop er iets in je losgaat, de snelheid waarmee het aanslaat en de tijd waarin je terugkeert naar je rustniveau, horen allemaal bij de aanleg waarmee je ter wereld kwam.
Een melancholisch type houdt niet op ook het onuitgesprokene op te vangen en houdt niet op een mislukte zin in zijn hoofd af te spelen. Geen enkele training verlengt de lont van een cholerisch type tot die van een flegmatisch type. Een sanguinisch type gaat geen plezier beleven aan drie uur stilte boven een spreadsheet. Wat wel verandert, en flink verandert, is het repertoire van wat je met die reactie doet.
Thijs weigerde op zijn tiende alleen brood te gaan halen, want dan zou hij met de verkoopster moeten praten. Vandaag is hij vijfendertig en geeft hij hele dagen training aan twintig mensen, zonder dat iemand zenuwen aan hem merkt. Het lijkt op een omgeruild temperament. Dat is het niet. Op de terugweg van elke training rijdt hij een uur in volstrekte stilte zonder radio en 's avonds neemt hij zijn telefoon niet op. De reactiviteit is gelijk gebleven, wat veranderde zijn de vaardigheden en vooral de manier waarop Thijs zijn dag eromheen bouwt.
Precies dat is het verschil dat het onthouden waard is. Je verandert niet wat er in je aanslaat. Je verandert wat erop volgt, hoe lang het duurt en in welke omgeving het zich afspeelt.
Wensen volstaat niet, verandering loopt via gedrag
Een interessant antwoord op de vraag “kan ik verandering gewoon bestellen” gaven Nathan Hudson en Chris Fraley (2015). Ze volgden enkele maanden lang studenten die een van hun trekken wilden veranderen. De groep die het bij de wens liet, kwam nergens. De groep die zichzelf elke week concreet gedrag in een concrete situatie oplegde, verschoof meetbaar.
Het verschil tussen “ik wil geduldiger zijn” en “als een collega mij een probleem uitlegt, laat ik hem uitpraten, ook al ken ik de oplossing al” zit hem erin dat de eerste zin niet uit te voeren valt. De tweede wel, ook op een moment dat je er geen zin in hebt.
Het is goed om te bedenken dat een meetbare verschuiving in zulk onderzoek geen gedaanteverwisseling is. Het gaat om een lichte beweging op een schaal, niet om een ingeruild type. Wie verwacht dat hij na een half jaar oefenen iemand anders is geworden, komt bedrogen uit. Wie verwacht dat hij niet meer eens per maand onnodig iemand kwetst die hem dierbaar is, heeft een realistisch doel.
Aanpakken die met je temperament werken, niet ertegen
De beste resultaten halen doorgaans aanpakken die je natuurlijke neiging benutten in plaats van haar te bestrijden. Een sanguinisch type houdt zelfstudie niet vol, samen leren met een vriend wel. Een melancholisch type dwingt zichzelf niet tot improviseren, maar drie varianten van tevoren voorbereiden lukt hem prima.
- Geef het lichamelijke signaal dat aan de reactie voorafgaat een naam. De meeste mensen hebben er een en de meesten letten er niet op.
- Zet een mechanische hindernis tussen prikkel en antwoord: schrijven en niet versturen, opstaan van je bureau, de beslissing tot de ochtend uitstellen.
- Pas je omgeving aan in plaats van met jezelf te vechten. Wie snel overprikkeld raakt, heeft meer aan een voorspelbaar ritme dan aan nog een goed voornemen.
- Oefen met kleine inzetten. Nee zeggen oefen je bij de keuze van een restaurant, niet bij een salarisonderhandeling.
- Haal er één iemand bij die je feedback geeft over hoe je overkomt. Een zelfinschatting heeft bij je eigen gedrag een blinde vlek.
- Reken op terugval. Onder vermoeidheid en slaaptekort keert iedereen terug naar zijn oorspronkelijke stand, en dat betekent niet dat het werk voor niets was.
Waar je sterke en je zwakke plek precies zitten, achterhaal je sneller dan met een jaar zelfobservatie. De temperamenttest telt 24 vragen en kost ongeveer vier minuten; naast het hoofdtype laat hij ook de inslag zien en de minst uitgesproken component, en dat is meestal precies wat training verdient. Hoe de vier typen zich met elkaar mengen, staat in het stuk over temperamentcombinaties.
Wanneer het zin heeft verandering te willen en wanneer niet
Niet elke ontevredenheid over je eigen karakter vraagt om training. Soms vraagt ze om een andere omgeving. Een introvert melancholisch type in een open kantoor met tien telefoontjes per uur heeft geen probleem met zijn temperament, hij heeft een probleem met de plek waar hij acht uur per dag doorbrengt.
Een bruikbare vraag luidt: houdt die eigenschap je tegen om te komen waar je wilt zijn, of stoort het je alleen dat je niet bent zoals iemand anders? Het eerste geval is werk waard. Het tweede is meestal vergelijken dat nergens toe leidt, want elk type heeft zijn prijs én zijn opbrengst. Bij kinderen ligt die vraag nog gevoeliger en ouders lopen er eerder tegenaan dan tegen wat dan ook, zoals het stuk over temperament bij kinderen beschrijft.
En nog een grens. Als gewone reactiviteit verandert in iets waardoor je slaap, je zin in dingen of je vermogen om te functioneren langdurig afneemt, gaat het niet meer om temperament en lost geen enkele zelfhulpstrategie het op. Daar hoort professionele hulp bij, geen volgende ronde goede voornemens. Waar die grens per type precies ligt, staat in het stuk over hoe de temperamenten met stress omgaan.
Kies voor de komende maand één situatie die zich minstens één keer per week bij je herhaalt, en schrijf één zin op over wat je daarin anders gaat doen. Geen eigenschap, geen voornemen, één zin over gedrag. Over een maand zie je aan jezelf een verschil dat de wens alleen je in een jaar niet had opgeleverd.

Česky
Slovensky
English
Polski
Deutsch
Español
Magyar
Italiano
Português
Nederlands